186045 WMO15-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2018, 18/1361 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 20 november 2019 Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: S.L. Alves Ter zitting zijn verschenen: mr. M.J. Hüsen namens appellante en mr. M.R. Keyser als vertegenwoordiger van het college. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is ter zitting van 20 november 2019 uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2018 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college het besluit van 26 september 2017 gehandhaafd, waarbij de aanvraag van appellante voor een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging is afgewezen omdat appellante een beroep kan doen op de hulp van haar echtgenoot. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college – door het advies van de medisch adviseur aan zijn besluit ten grondslag te leggen – de medische situatie van de echtgenoot van appellante voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De medisch adviseur acht het niet aannemelijk dat de echtgenoot van appellante niet in staat is tot het verrichten van huishoudelijke taken. Appellante heeft niet met objectieve medische gegevens aannemelijk gemaakt dat het inzichtelijke en onderbouwde medische oordeel van de medisch adviseur van het college onjuist is.
- Niet in geschil is dat appellante niet in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Uit de medische adviezen volgt dat de echtgenoot van appellante in staat wordt geacht om de huishoudelijke werkzaamheden te verrichten ondanks zijn beperkingen en daarmee sprake is van gebruikelijke hulp. Ook in hoger beroep is niet kunnen blijken dat de medische beperkingen van de echtgenoot van appellante niet zorgvuldig in kaart zijn gebracht of onjuist zijn vastgesteld, dan wel dat de echtgenoot van appellante gelet op zijn medische situatie de huishoudelijke taken niet zou kunnen verrichten.
- Nu de door appellante ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden weggenomen of verminderd met de door haar echtgenoot verleende gebruikelijke hulp, heeft de rechtbank terecht het besluit van het college, waarbij gelet op artikel 2.3.5, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is beslist dat geen maatwerkvoorziening ter compensatie van deze beperkingen wordt verstrekt, in stand gelaten. De gronden die zijn gebaseerd op een ander uitgangspunt behoeven derhalve geen bespreking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) J. Brand