174632 WAJONG Datum uitspraak: 11 december 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 mei 2017, 16/8879 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Gomez Espinosa, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019. Voor appellant is verschenen mr. Gomez Espinosa. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren [in] 1987, heeft in verband met psychische problematiek en gehoorproblemen sinds 5 februari 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 19 januari 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2016 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 dient te worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. De beschikbare medische informatie en informatie over de door appellant doorlopen re-integratietrajecten is kenbaar bij het onderzoek betrokken. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd dat appellant ten tijde in geding beschikte over arbeidsvermogen. De stelling van appellant dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt wordt niet gevolgd. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat sprake is van onvermogen om werknemersvaardigheden te ontwikkelen. Niet gebleken is dat aan het niet doorlopen van de re-integratietrajecten een medische reden (beperking) ten grondslag ligt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij niet in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie, dan wel niet één uur aaneengesloten zou kunnen werken. De rechtbank heeft ten slotte van belang geacht dat appellant al enige tijd geen behandeling volgt en geen medicatie gebruikt. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft besloten de Wajong-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2018 te verlagen van 75% naar 70% van het minimumloon. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep, met verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep, aangevoerd dat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon omdat hij geen arbeidsvermogen heeft. Dat appellant geen behandeling volgt en geen medicatie gebruikt is juist. Daarom kan geen nieuwe medische informatie worden overgelegd. Het betekent echter niet dat de medische toestand van appellant ten opzichte van de aanvraag van de Wajong-uitkering is verbeterd. Nog steeds kampt appellant met dezelfde klachten. Vanaf 2012 is door middel van een jobcoach getracht om werknemersvaardigheden te ontwikkelen, echter zonder resultaat. De gehoorproblematiek van appellant verzet zich tegen het uitvoeren van de voorgehouden taken. Ten slotte heeft gemachtigde van appellant ter zitting verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212; Korošec), omdat volgens haar het beginsel van equality of arms is geschonden. Dat verzoek is onder meer gegrond op het standpunt dat appellant onvoldoende mogelijkheden heeft om tegenbewijs te leveren tegen het standpunt van de artsen van het Uwv, omdat appellant niet onder medische behandeling staat. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. In artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong 2015, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2018, is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt. 4.1.2. In artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet is bepaald dat in artikel 3:8, eerste lid ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. Artikel III, onder N, van de Invoeringswet Participatiewet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. 4.1.3. In artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong 2015 is in afwijking van artikel 3:8, eerste lid bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Ingevolge het derde lid wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. 4.1.4. Ingevolge artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong 2015 stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet. 4.2. In geding is de vraag of het Uwv zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong 2015. 4.3. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.