← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:4283

181049 PW-PV, 19/2028 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2018, 17/5954 en 28 maart 2019, 18/6568 Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 17 december 2019 Zitting heeft: W.H. Bel Griffier: J.B. Beerens Namens appellant is verschenen mr. N. Velthorst, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaken om intrekking en terugvordering van bijstand over meerdere maanden in 2012, 2014, 2015 en 2017, wegens de handel in (nep)verdovende middelen. Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat appellant van de handel in (nep)verdovende middelen in de desbetreffende maanden geen melding heeft gemaakt en zijn inkomsten hieruit niet inzichtelijk heeft gemaakt. Het recht op bijstand is daarom in de desbetreffende maanden niet vast te stellen. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college van oordeel dat met de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde, op ambtseed, dan wel ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende, processen-verbaal van de politie en de daarin vermelde feiten en omstandigheden, aannemelijk is geworden dat appellant in de desbetreffende maanden heeft gehandeld in (nep)verdovende middelen en dus op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Door het college van (de inkomsten uit) die activiteiten niet op de hoogte te stellen, heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de desbetreffende maanden - ondanks zijn handel - recht had op (aanvullende) bijstand. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de desbetreffende maanden op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht, zodat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is en het recht op bijstand in die maanden wel kan worden vastgesteld. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in de oordelen van de rechtbank, zoals neergelegd in de aangevallen uitspraken. Dit betekent dat de hoger beroepen van appellant niet slagen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J.B. Beerens (getekend) W.H. Bel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.