← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:4293

Datum uitspraak: 20 december 2019 19/2340 WMO15-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2019, 18/3840 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 7 augustus 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant heeft mr. D. Marcus, advocaat, verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 15 november

  1. Namens appellant is mr. Marcus verschenen. Het college is niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 7 augustus 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 16 mei
  2. Het hogerberoepschrift is op 24 mei 2019 per fax bij de Raad ontvangen. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. In verzet heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat zij het hogerberoepschrift op 15 mei 2019 via FalkCourier heeft verzonden. Het is niet duidelijk of het hogerberoepschrift dat zij op 15 mei 2019 naar de Raad heeft verzonden ook daadwerkelijk niet bij de Raad is ontvangen. Volgens de gemachtigde van appellant was er op 15 mei 2019 sprake van een vertraging in de postbezorging bij Falk Post. De gemachtigde van appellant heeft een interne notitie overgelegd waarop staat vermeld dat het hogerberoepschrift op 15 mei 2019 naar de Raad is verzonden. De Raad ziet geen feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het hogerberoepschrift van 15 mei 2019 is niet bij de Raad ontvangen. De gemachtigde van appellant heeft niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd dat het hogerberoepschrift ook daadwerkelijk op 15 mei 2019 is verzonden. Het risico dat het poststuk de geadresseerde niet tijdig bereikt, komt voor rekening en risico van de verzender van dat poststuk. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december
  3. (getekend) C.H. Bangma (getekend) E.D. de Jong IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.