182532 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Datum uitspraak: 17 december 2019 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2018, 17/3139 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) Zitting hebben: G.M.G. Hink als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en W.E. Doolaard als leden Griffier: V.Y. van Almelo Namens appellant is verschenen mr. E. Akdeniz, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is onder meer uit raadpleging van de Dienst Wegverkeer (RDW) gebleken dat appellant in de periode van 9 juli 2016 tot en met 22 september 2016 een Audi met kenteken [kenteken 1] en in de periode van 14 november 2016 tot en met 25 november 2016 een BMW met kenteken [kenteken 2] op zijn naam had staan. De Audi vertegenwoordigde een gemiddelde waarde van € 9.500,- en de BMW een gemiddelde waarde van € 9.700,-. Bij besluit van 11 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 7 februari 2017 ingetrokken. Bij besluit van 25 april 2017, na bezwaar eveneens gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft het college de over de periode van 7 februari 2017 tot en met 28 februari 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 733,58 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van beide auto’s en desgevraagd geen deugdelijke en verifieerbare bewijsmiddelen te leveren waaruit blijkt uit welke middelen hij deze auto’s heeft gefinancierd. Als gevolg hiervan kan zijn inkomens- en/of vermogenspositie en daarom het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de voertuigen op zijn naam. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant hier niet in geslaagd. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt dat de auto’s die op zijn naam stonden van zijn vader en zus waren. De (achteraf opgestelde) schriftelijke verklaringen van zijn vader en zus zijn daarvoor onvoldoende. Dit geldt eveneens voor de bankafschriften die appellant heeft overgelegd. Uit de afschriften blijkt niet dat de transacties betrekking hebben op de auto’s. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat appellant ook niet heeft onderbouwd dat de door het college gehanteerde gemiddelde waarden van € 9.700,- en € 9.500,- onjuist zijn. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inkomens- en/of vermogenspositie van appellant niet meer kan worden vastgesteld. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Daarbij merkt de Raad nog op dat de enkele stelling dat de waarde van de auto’s lager is dan de gemiddelde waarde, niet betekent dat appellant geen inzicht hoeft te verschaffen in de financiering van deze auto’s. Appellant heeft ook in hoger beroep nagelaten, aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens, inzicht te verschaffen in de financiering van deze auto’s en daarmee in zijn financiële situatie. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) V.Y. van Almelo (getekend) G.M.G. Hink
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.