167557 WIA Datum uitspraak: 3 januari 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 november 2016, 16/1605 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.W. Stals, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stals. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is werkzaam geweest als barmedewerker voor ongeveer 38 uur per week. Op 10 juli 2008 heeft hij zich ziek gemeld wegens lichamelijke klachten, namelijk hoofdpijn en nekpijn, als gevolg van een auto-ongeval diezelfde dag. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 8 juli 2010 recht is ontstaan op een WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. 1.
- Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het Uwv besloten dat appellant met ingang van 7 maart 2016 niet langer recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 19 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Hierbij is van belang geacht dat de primaire arts in opleiding dossieronderzoek heeft verricht, eigen lichamelijk en psychisch onderzoek heeft gedaan, en medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van appellant. Haar rapport is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, heeft appellant gesproken op de hoorzitting van 9 maart 2016 en heeft de door appellant ingediende medische informatie betrokken in zijn rapport. 2.
- De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusies van de primaire arts in opleiding en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nu deze voldoende gemotiveerd zijn. Zij heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de door appellant ingebrachte medische informatie. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat een urenbeperking had moeten worden vastgesteld. 2.
- Uitgaande van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 maart 2014 heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat appellant in staat was om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende toegelicht. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de functies een te hoog handelingstempo vergen of onaanvaardbare risico’s met zich brengen. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is uitgevoerd. Kort samengevat is appellant van mening dat de onderzoeken en rapporten van de primaire arts in opleiding en de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de primaire medische beoordeling door een arts in opleiding niet aan de voorwaarden voldoet. Uit de stukken blijkt niet dat zij in opleiding is en de stukken zijn ook niet ondertekend. Volgens appellant is hij op grond van de ingediende medische informatie verdergaand beperkt dan dat is aangenomen door het Uwv. Appellant verzoekt om benoeming van een deskundige. Ten slotte is appellant van mening dat het werken met een elektronische transportband of solderen een onaanvaardbaar risico voor hem oplevert. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Zo aan het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit een gebrek kleeft omdat de primaire arts een verzekeringsarts in opleiding was en er geen handtekening van een verzekeringsarts onder het rapport staat, is dit gebrek in de bezwaarfase hersteld door het onderzoek van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook verder bestaat er geen aanleiding om het onderzoek onzorgvuldig te achten. De overwegingen van de rechtbank op dit punt worden onderschreven. 4.
- De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 maart 2016 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de ingebrachte rapporten van neuroloog dr. R.J.O. van der Ploeg van 22 maart 2013 en van psychiater drs. J.L.M. Schoutrop van 28 mei 2013 geen aanleiding vormen om verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, aan te nemen. Uit deze rapporten komt niet naar voren dat appellant meer cognitieve beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Met betrekking tot de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt de uitvoerig gemotiveerde overweging 4.2 van de aangevallen uitspraak onderschreven. 4.
- Nu er geen aanleiding is om twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek of de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. 4.
- Met betrekking tot het standpunt van appellant dat werk met een elektronische transportband en solderen voor hem een onaanvaardbaar risico oplevert, wordt overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hier sprake van is. De algemene informatie die appellant heeft ingediend maakt niet aannemelijk dat de geselecteerde functies, die zijn beoordeeld door een arbeidsdeskundige analist, een risico opleveren op deze vlakken. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat voor appellant sprake zou zijn van een verhoogd persoonlijk risico vergeleken met andere werknemers. 4.
- De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari
- (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) G.D. Alting Siberg LO