Datum uitspraak: 6 mei 2020 20/56 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 november 2019, 19/715 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 25 november 2019 in afschrift aan partijen toegezonden. Het beroepschrift is op 7 januari 2020 ontvangen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij brief van 10 januari 2020 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop bij brief, door de Raad ontvangen op 27 januari 2020, geantwoord dat hij moeite had met het vinden van juridische bijstand en dat hij enige vertraging heeft opgelopen door de feestdagen. Daarnaast voert appellant aan dat hij er vanuit ging het beroepschrift alsnog tijdig te hebben ingediend. Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) L.R. Scherpenzeel-Carlier Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. GdJ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.