/182133 WAJONG Datum uitspraak: 29 mei 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2018, 17/3857 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1990, heeft in verband met vermoeidheidsklachten sinds 8 november 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 20 oktober 2015 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 december 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.2. Bij besluit van 18 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 29 december 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft overwogen dat uit hun rapporten volgt dat appellante belastbaar is voor ten minste vier uur per dag. Voor de extreme vermoeidheid die appellante meldt hebben de verzekeringsartsen geen rechtstreekse en medisch objectiveerbare onderbouwing gevonden. De rechtbank heeft verder overwogen dat rekening is gehouden met de chronische vermoeidheid en de rugklachten van appellante. Dat geldt ook voor de bevindingen uit psychisch en lichamelijk onderzoek, de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector en de informatie van de beroepskeuze- en loopbaanonderzoek door Eega van 27 maart 2008. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de uitkomsten van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar Wajong-uitkering ten onrechte is verlaagd naar 70% van het minimumloon. Appellante is van mening dat zij geen arbeidsvermogen heeft en heeft hiertoe verwezen naar wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft last van chronische vermoeidheid en lage rugpijn en is daardoor niet vier uur per dag belastbaar. Bij de TPG heeft appellante maar een korte periode maximaal twee en een half uur per dag gewerkt, maar al vrij snel heeft zij dit moeten beperken tot slechts anderhalf uur per dag gedurende twee dagen per week, omdat zij naarmate zij meer ging werken overbelast raakte. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.