18/6031 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 november 2018, 18/962 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Zwolle Datum uitspraak: 9 juni 2020 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij brief van 10 december 2018, ontvangen op 12 december 2018, heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan en heeft daarbij zijn inkomensgegevens overgelegd. Bij brief van 4 januari 2019 is appellant verzocht om de bij de brief gevoegde verklaring met betrekking tot het vermogen in te vullen en te retourneren. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens. Op 9 januari 2019 heeft appellant de verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij niet over vermogen beschikt. Bij brief van 15 maart 2019 heeft de Raad appellant meegedeeld dat appellant op basis van de verstrekte gegevens niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en dat zijn beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen. Daarbij is appellant meegedeeld dat hij een nieuwe nota griffierecht ontvangt en is hem verzocht het griffierecht, in verband met meerdere bij de Raad lopende procedures, uiterlijk 1 september 2019 te voldoen. Voorts is appellant erop gewezen dat het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht ertoe kan leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Bij brief van 8 maart 2019 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 126,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Appellant heeft bij brief van 16 maart 2019 meegedeeld dat hij bijzondere bijstand voor de griffierechten heeft aangevraagd en verzocht om uitstel van betaling in afwachting van het besluit op zijn aanvraag. Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de Raad in antwoord daarop verwezen naar zijn brief van 5 maart 2019, waarin appellant een ruimere termijn is gegeven om het griffierecht te betalen. Appellant deelt bij brief van 9 juli 2019 mee dat hij een herinnering van de griffierechten heeft ontvangen maar dat de Raad een uitstel van betaling tot 1 september 2019 heeft verleend. Daarbij geeft appellant aan dat zijn adres is gewijzigd. Appellant heeft voorts bij brief van 28 augustus 2019 meegedeeld dat zijn financiële situatie drastisch is veranderd wegens een echtscheidingsprocedure waardoor appellant zich bij de schulddienstverlening heeft moeten aanmelden. Appellant zal hierdoor in de toekomst met leefgeld van € 40,- per week moeten rondkomen wegens het schuldhulpverleningstraject. Appellant heeft daarom verzocht om ontheffing van de verschuldigde griffierechten wegens betalingsonmacht. Bij brief van 5 september 2019 is appellant verzocht stukken te overleggen waaruit zijn huidige inkomen tot 1 september 2019 blijkt. Omdat appellant in een brief van 16 maart 2019 te kennen had gegeven bijzondere bijstand te hebben aangevraagd voor een aantal griffierechten waaronder de zaak met het kenmerk 18/6031 PW, is hem voorts verzocht om afschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.