175463 ZW Datum uitspraak: 10 juni 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 juni 2017, 16/3034 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Eliya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Voor appellant is verschenen mr. Eliya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. Na de zitting is het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest. Het Uwv heeft met inzending van een stuk geantwoord op een vraag van de Raad. Appellant heeft hierop gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Op 31 augustus 2016 heeft het Uwv besluiten genomen over de invordering van een boete en twee bedragen aan ten onrechte betaald ziekengeld op grond van de Ziektewet. Bij een tweetal bezwaarschriften, gedateerd 21 september 2016, ontvangen door het Uwv op 26 september 2016, heeft appellant op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. 1.2. Bij brief van 30 september 2016 heeft het Uwv appellant gewezen op het ontbreken van de gronden van zijn bezwaren en hem tot en met 28 oktober 2016 de gelegenheid gegeven dit verzuim te herstellen. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat wanneer het verzuim niet tijdig wordt hersteld, de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. Bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant heeft verzuimd om binnen de gestelde termijn de gronden van zijn bezwaren in te dienen. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat appellant door overlegging van een e-mailbericht van 17 oktober 2016 de verzending van een faxbericht via Xoip voldoende aannemelijk heeft gemaakt, maar dat dit nog geen sluitend bewijs is dat het faxbericht door het Uwv is ontvangen. Op grond van de door het Uwv in beroep beschreven werkwijze bij de ontvangst van faxberichten, het nader onderzoek van het Uwv en de nadien door het Uwv overgelegde overzichten van de ontvangen faxberichten op en rond 17 oktober 2016, heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de ontvangst van het faxbericht met de gronden van bezwaren redelijkerwijs kan worden getwijfeld. 3.1.1. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat het Uwv de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft volgens appellant terecht vastgesteld dat met het overleggen van het e-mailbericht via Xoip, de verzending van het faxbericht voldoende aannemelijk is gemaakt. De rechtbank heeft echter ten onrechte het standpunt ingenomen dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan de ontvangst van het betreffende faxbericht redelijkerwijs kan worden getwijfeld. Het Uwv heeft geen afschrift van de mailbox kunnen overleggen, dan wel een uitdraai van de mailbox met de datum en het tijdstip van ontvangst van elk faxbericht. Er is slechts een schermafdruk gemaakt van een map waarin de faxberichten nadien (handmatig) worden opgeslagen. Dit levert volgens appellant geen sluitend bewijs op dat het Uwv het faxbericht van 17 oktober 2016 niet heeft ontvangen. Nu er geen overzichten zijn overgelegd waaruit exact blijkt welke faxberichten wanneer zijn binnengekomen en de rechtbank dit niet nader heeft onderzocht kan de uitspraak niet in stand blijven. Daarbij heeft de gemachtigde verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:296. 3.1.2. Ter zitting heeft appellant zich voorts op het standpunt gesteld dat de bezwaarschriften van 21 september 2016 al de gronden voor het bezwaar bevatten en dat de bezwaren alleen al om die reden ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Appellant heeft erop gewezen dat artikel 6:5 van de Awb geen eisen stelt aan de motivering van een bezwaargrond. 3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2464, en naar een na de zitting van 12 juni 2019 alsnog overgelegde uitdraai van de inhoud van de mailbox waarin faxberichten binnenkomen, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 3.3. Appellant heeft betoogd dat de uitdraai van de mailbox buiten de beoordeling moet worden gelaten, omdat het Uwv deze pas drie jaar na aanvang van de procedure heeft overgelegd en dit eerder volgens het Uwv niet mogelijk was. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 6:5 van de Awb is geregeld waaraan een bezwaar- of beroepschrift ten minste moet voldoen. Op grond van het eerste lid, aanhef en onder d, van dit artikel geldt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. 4.2. Allereerst zal worden ingegaan op de stelling van de gemachtigde van appellant dat wel degelijk is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Daartoe heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de bezwaarschriften van 21 september 2016 al gronden bevatten. 4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7463) worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Hiermee wordt een feitelijke grond bedoeld, waaronder wordt verstaan een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is. Iemand die bezwaar maakt kan er dus niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens is met een bepaald besluit, maar hij dient tevens aan te geven op welk punt of welke punten en waarom hij het met dat besluit niet eens is. 4.4. De bezwaarschriften van 21 september 2016 luiden als volgt: “Verzoeker maakt hierbij bezwaar tegen de beschikking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.