← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:1299

194617 ANW Datum uitspraak: 25 juni 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2019, 19/1779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot heeft in Nederland gewoond en gewerkt en is rond 1988 geremigreerd naar Marokko, waar hij [in] 2013 is overleden. Hij ontving op dat moment een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). 1.
  2. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Bij besluit van 6 februari 2014 heeft de Svb afwijzend beslist op deze aanvraag, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2014 heeft de Svb het besluit van 6 februari 2014 gehandhaafd. Het beroep van appellante daartegen is bij uitspraak van 6 februari 2015 door de rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend. 1.
  3. Bij brief van 27 juli 2018 heeft appellante de Svb opnieuw verzocht om haar een nabestaandenuitkering toe te kennen. Op deze aanvraag heeft de Svb bij besluit van 29 augustus 2018 afwijzend beslist onder verwijzing naar het besluit van 6 februari
  4. Het tegen het besluit van 29 augustus 2018 ingediende bezwaar is bij besluit van 21 februari 2019 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond geacht. Daarbij is overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot een terugkomen van het besluit van 6 februari
  5. Verder heeft de Svb het besluit van 6 februari 2014 niet onmiskenbaar onjuist geacht. In het bestreden besluit is verwezen naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar beleidsregel SB
  6. Ten slotte heeft de Svb vastgesteld dat appellante ook voor de toekomst geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellante eraan herinnerd dat haar overleden echtgenoot in Nederland heeft gewerkt en dat hij verzekerd was voor de ANW toen hij remigreerde.
  9. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  10. Met juistheid heeft de rechtbank onderschreven dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Appellante heeft in dit geding in bezwaar, beroep en hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in de eerder gevoerde procedure naar aanleiding van het besluit van 6 februari
  11. Wat appellante in dit geding heeft aangevoerd leidt bovendien niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk of onmiskenbaar onjuist is. Dit laatste criterium hanteert de Svb op grond van beleidsregel SB
  12. Ten slotte heeft de rechtbank op goede gronden vastgesteld dat appellante ook vanaf haar verzoek van 27 juli 2018 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. 4.
  13. Uit punt 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni
  15. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) R.H. Koopman Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde. DÉCISION La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée. Par conséquent, décidée par M.A.H. van Dalen-van Bekkum en présence de R.H. Koopman en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 25 juin
  16. Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.