← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:1351

193225 MPW Datum uitspraak: 1 juli 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2019, 18/7144 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft S.A. Hop hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei

  1. Namens appellant is mr. J.A. Koolmees verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, geboren in 1947, is voormalige beroepsmilitair. Erkend is dat bij hem sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met dienstverband. De op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten aan appellant gegeven indicatie voor ondersteuning in de vorm van begeleiding in groepsverband, individuele begeleiding en persoonlijke verzorging is voortgezet na inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015). Voor deze begeleiding ontvangt appellant een persoonsgebonden budget (pgb). 1.
  3. In december 2016 heeft appellant verzocht in aanmerking te komen voor een compensatie van onkosten die door de wijzigingen in de sociale zekerheidswetgeving niet langer worden vergoed. In het bijzonder de uren voor zorg en huishoudelijke hulp die appellant afneemt. Tevens heeft hij verzocht om vergoeding van medische reiskosten in verband met de dagbesteding bij [VOF] . 1.
  4. Bij besluit van 19 april 2018 heeft de staatsecretaris aan appellant een compensatie toegekend voor de kosten voor zorg en huishoudelijke hulp die vanaf 2015 voor eigen rekening van appellant komen. De gevraagde vergoeding van de medische reiskosten voor het bezoeken van [VOF] is afgewezen. Dit op de grond dat [VOF] geen erkende zorginstelling is. De weigering om de medische reiskosten te vergoeden is na gemaakt bezwaar bij besluit van 24 september 2018 (bestreden besluit) gehandhaafd. Daarnaast heeft de staatssecretaris naar aanleiding van het bezwaar opgemerkt dat het “verantwoordingsvrije bedrag” deel uitmaakt van het totale toegekende pgb en dit niet geldt als een vergoeding daar bovenop.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van appellant erkend dat de problematiek rond het verantwoordingsvrije bedrag bij het pgb behoort tot het terrein van de zorgaanbieder en dat voor de staatssecretaris in dit kader geen rol is weggelegd. Nu het hoger beroep op dit punt niet langer wordt gehandhaafd kan deze problematiek verder onbesproken blijven. 4.
  9. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, van de Regeling onkostenvergoeding gewezen defensiepersoneel (Regeling) wordt onder zorgverlenende instelling verstaan: de erkende en in Nederland gevestigde instelling of persoon die is belast met de behandeling, begeleiding dan wel zorg van de betrokkene als bedoeld in artikel 1, onder h, sub 1 en 2 van deze regeling. 4.
  10. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor het vergoeden van de reiskosten van en naar [VOF] is vereist dat het gaat om een erkende zorginstelling als omschreven in artikel 1, aanhef en onder f, van de Regeling. Blijkens de toelichting op dit artikel is voor dit vereiste gekozen ter voorkoming dat elke vorm van alternatieve geneeswijze onder de Regeling zal vallen. Onbetwist staat vast dat [VOF] geen erkende zorginstelling is. Dat betekent dat de reiskosten om die reden niet op grond van de Regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht. De dagbesteding bij [VOF] wordt door de gemeente Helmond weliswaar vergoed, maar de gemeente is daartoe overgegaan na het toepassen van een hardheidsclausule. Een dergelijke clausule ontbreekt echter in de Regeling. 4.
  11. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli
  13. (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) R.I.S. van Haaren

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.