Datum uitspraak: 8 juli 2020 20/843 WMO-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 8:81, 8:82 en 8:83 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Ingevolge artikel 8:81 in samenhang met artikel 8:104 van de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist. Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht in beginsel twee weken bedraagt. Bij brief van 29 februari 2020 is de gemachtigde van verzoekster erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 14 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Bij aangetekende brief van 15 maart 2020 is de gemachtigde van verzoekster nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoekster er rekening mee moet houden dat het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld zal worden. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van E. Blijleven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020. (getekend) D.S. de Vries (getekend) E. Blijleven
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.