182863 WAJONG Datum uitspraak: 9 juli 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2018, 17/2966 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren [in] 1975, heeft in verband met een verstandelijke beperking en gedragsproblematiek sinds 28 maart 1993 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 29 maart 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 november 2016 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 22 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 25 november 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep consistent en inzichtelijk gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank de volgende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. De gedragsafwijkingen hangen met de zeer licht verstandelijke beperking samen, maar appellant is daardoor niet volledig medisch arbeidsongeschikt. Een arbeidsduurbeperking is niet aan de orde, maar gelet op het intellectueel functioneren is wel aannemelijk dat appellant tijd nodig heeft voor planning en uitvoering. Er is geen aandoening of ziekte gebleken die verklaart waarom appellant in passend werk niet minstens halve dagen bezig kan zijn, die doet aannemen dat appellant een taak niet tenminste een uur zou kunnen verrichten of die ertoe leidt dat appellant niet in staat is tot het begrijpen en kunnen uitvoeren van instructies en het kunnen maken en nakomen van afspraken. Appellant is in staat tot structureren en plannen op kleinschalig niveau. Hij voert zijn eigen huishouding en hij kan zijn postwerk sorteren en rekening houden met extra werk. Er is een beperkte tolerantie voor tijdsdruk, strakke schema’s en samenwerken met anderen, appellant heeft baat bij routinewerk, hij is minder goed opgewassen tegen nieuwe dingen, ruggensteun door een coach is dan aangewezen. Appellant is voldoende in staat tot respect voor anderen, maar staat op achterstand bij samenwerken. De rechtbank heeft bij haar oordeel verder de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden. Die heeft geconcludeerd dat appellant niet beperkt is voor herinneren, appellant zelfstandig een enkelvoudige of meervoudige taak kan ondernemen en in staat is tot het uitvoering van dagelijkse routinehandelingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat appellant zijn werk als postbesteller bij Sandd al jaren naar volle tevredenheid verricht, de post sorteert op zijn route en het hem altijd lukt zijn werk op tijd af te krijgen. Daaruit heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgemaakt dat appellant dus tot plannen en tot het nakomen van zijn afspraken met zijn werkgever in staat is. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft, zodat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellant heeft gesteld dat hij niet vier uur per dag belastbaar is, omdat hij als postbezorger niet langer dan twee en een half tot drie uur werken per dag volhoudt. Appellant heeft in dit verband uiteengezet dat meer uren werken bij steeds wisselende baantjes in het verleden heeft geleid tot uitval. Appellant heeft gesteld dat hij door zijn gedragsproblemen ook niet in staat is om een uur aaneengesloten te werken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij tijdens het post bezorgen regelmatig pauze neemt om bij te komen van alle indrukken en dat, als hij zich langer dan een uur moet concentreren, hij psychische klachten ontwikkelt. Appellant heeft gesteld dat hij door een slecht werkend korte termijn geheugen basale werknemersvaardigheden mist. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verslag intelligentie onderzoek van 12 april 2018 en een verklaring van zijn persoonsbegeleidster overgelegd. Appellant heeft gesteld dat hij alleen post kan bezorgen door de continue herhaling van de straten en adressen en de mogelijkheid om het werk uit te voeren wanneer het hem uitkomt. De geselecteerde taak champignonplukken is volgens appellant niet geschikt, omdat hij een beperkte stresstolerantie heeft, hij het liefst zelfstandig werkt en hij bij dit werk het gevoel zou hebben dat hij op zijn vingers wordt gekeken. Deze taak is volgens appellant ook niet passend, omdat er gewerkt wordt bij een temperatuur van 25 graden en appellant dan vanwege zijn astma last krijgt van benauwdheid. Deze taak kent verder een bijzondere belasting op staan, terwijl appellant vanwege zijn bochel niet lang achtereen kan staan. Appellant heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij door een doorgesneden pees in zijn rechterduim een beperkte rechterduimfunctie heeft. Appellant heeft er tenslotte op gewezen dat uit een uitdraai van medische gegevens van zijn huisarts van 6 mei 2019 blijkt dat hij sinds augustus 2018 kampt met incontinentieproblemen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 26 april 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.