17/6144 Wajong Datum uitspraak: 14 juli 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 augustus 2017, 17/779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv gelegenheid te geven nader onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van een aan appellante verleende indicatie voor dagbesteding in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het Uwv heeft vervolgens een van appellante ontvangen besluit van 18 november 2019 toegezonden, waarbij door de gemeente [gemeente] per 1 april 2019 aan appellante in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding is toegekend. De nadere mondelinge behandeling heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 23 juni 2020. Daaraan hebben voor appellante deelgenomen haar gemachtigde mr. Boer en haar persoonlijk begeleidster [naam A], en namens het Uwv H. ten Brinke. OVERWEGINGEN 1.1. Aan appellante, geboren op [geboortedatum] 1984, is in verband met psychische en cognitieve beperkingen ingaande [geboortedatum] 2002 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 10 mei 2016 heeft het Uwv aan appellante informatie gevraagd om haar arbeidsvermogen te kunnen vaststellen. Namens appellante heeft de bewindvoerder daarop een vragenlijst ingevuld. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en heeft de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen gevolgd. De verzekeringsartsen hebben zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat appellante, met inachtneming van haar beperkingen, ten minste vier uur per dag belastbaar is en ten minste een uur per dag aaneengesloten kan werken. Dat zij hierbij intensieve begeleiding of een beschutte werkomgeving nodig heeft, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante niet beschikt over basale werknemersvaardigheden of geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft besloten de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 te verlagen van 75% naar 70% van het minimumloon. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar wat in bezwaar en beroep is aangevoerd, gesteld dat zij geen arbeidsvermogen heeft en met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een Wajong-uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellante heeft daarbij gesteld dat zij nooit vier uur per dag en een uur aangesloten op de zorgboerderij heeft gewerkt. Appellante werkte daar op een beschutte plek onder zeer strikte begeleiding, waarbij het ging om dagbesteding en niet om werk of het verrichten van werkzaamheden. Bovendien is zij wegens stress gestopt met dit werk. Appellante is van mening dat zij ook niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Zij kan afspraken met een werkgever niet nakomen, kan niet met collega’s omgaan en heeft met alles begeleiding nodig. Appellante heeft ter zitting van 23 juni 2020 nog gewezen op een inmiddels aan haar verleende indicatie in het kader van de Wet langdurige zorg (WLZ). 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op 1 januari 2015 is artikel III, met uitzondering van de onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast (Besluit van 8 oktober 2014, Stb. 2014, 359). Op grond van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 3:8a aan de Wajong toegevoegd. Op grond van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd. 4.1.2. Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8 van de Wajong. 4.1.3. Artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag bedraagt. 4.1.4. Op 1 januari 2018 is artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. 4.1.5. In afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het derde lid wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. 4.1.6. Voorgaande wetsbepalingen hebben tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 diende te worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon, indien zij op die datum mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. 4.2. In geding is de vraag of het Uwv zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong 2015. 4.3. Op grond van artikel 1a, eerste lid van het Schattingsbesluit heeft een betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.