184351 TW Datum uitspraak: 15 juli 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2018, 18/735 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft zich op 13 april 2012 ziekgemeld bij zijn werkgever. Bij besluit van 7 december 2015 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 11 april 2014 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht. Op 19 november 2017 heeft appellant een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. Bij besluit van 21 november 2017, gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het Uwv aan appellant met ingang van 11 april 2014 een toeslag van € 5,07 bruto per dag, exclusief vakantiegeld, toegekend. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv overwogen dat appellant geen recht heeft op een toeslag tot het minimumloon, omdat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen zijn dagloon en zijn WIA-uitkering.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de TW, zoals die luidde ten tijde in geding, recht heeft op een toeslag nu hij een inkomen heeft dat per dag lager is dan € 51,
- Op grond van artikel 8, derde lid, van de TW is de toeslag gelijk aan het verschil tussen het bedrag van € 51,58 en het inkomen van appellant per dag. In artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder c, van de TW is bepaald dat de toeslag niet meer bedraagt dan het verschil tussen het dagloon en de loondervingsuitkering indien het dagloon lager is dan 70% van het minimumloon. De toeslag van appellant komt op grond van dat artikel neer op het verschil tussen het dagloon van €20,27 en de loondervingsuitkering van € 15,20, te weten een bedrag van € 5,07 nu het dagloon van appellant lager is dan 70% van het minimumloon. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat de toeslag moet worden aangevuld tot het sociaal minimum niet slaagt. In een uitspraak van de Raad van 6 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:677, is overwogen dat de opvatting dat het inkomen moet worden aangevuld tot het wettelijk minimumloon geen steun vindt in de wet of de jurisprudentie. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep de beroepsgrond dat zijn uitkering dient te worden opgehoogd tot het sociaal minimum herhaald. In het geval van appellant is volgens hem sprake van een onevenredige hardheid en om die reden moet een uitzondering worden gemaakt. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. 4.
- Uit overweging 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli
- (getekend) M. Schoneveld (getekend) A.M.M. Chevalier