Datum uitspraak: 14 juli 2020 19/3507 PW, 19/3508 PW, 19/3509 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2019, 18/3853, 18/3865 en 18/3869 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Ferm Werk (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 8 oktober 2019 heeft het dagelijks bestuur een verweerschrift ingediend. Bij brief van 31 oktober 2019 heeft mr. Mauritz namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten. Het dagelijks bestuur heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het dagelijks bestuur in de brief van 8 oktober 2019 geheel dan wel gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. De Raad ziet aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.050,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In de bijlage van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van de gemaakte kosten in verband met het opvragen van bankafschriften en het betalen van de eigen risico van € 143,- is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Het dagelijks bestuur heeft in het verweerschrift van 23 december 2019 echter te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen de betaling van de eigen bijdrage omdat zijn besluitvorming niet optimaal is geweest en appellante aangewezen was (hoger) beroep in te stellen. Deze kosten komen daarom in dit geval voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het dagelijks bestuur wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.768,-. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2020. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) K.R. van Renswoude NW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.