← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:1524

192580 WW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2019, 18/4369 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 10 juli 2020 Zitting heeft: M. Schoneveld Griffier: C.I. Heijkoop Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Voor betrokkene is mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt het Uwv in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-; bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 519,- wordt geheven. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Bij beslissing op bezwaar van 23 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 10 september 2014 enerzijds en tegen het boetebesluit 10 september 2014 anderzijds niet-ontvankelijk verklaard.
  2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak – met overwegingen over griffierecht en proceskosten – het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.
  3. Niet in geschil is dat de besluiten van 10 september 2014 niet aangetekend aan betrokkene zijn verzonden. Evenmin is in geschil dat het Uwv niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen contra‑indicaties zijn waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene de besluiten van 10 september 2014 wel moet hebben ontvangen. Het invullen en terugsturen van het inkomens- en vermogensformulier (iko-formulier) vormt op zichzelf geen zodanige concrete aanwijzing dat betrokkene de besluiten van 10 september 2014 moet hebben ontvangen. Dit geldt ook voor het op verzoek van het Uwv aanvullen van dit formulier. De omstandigheid dat het Uwv in een periode van ruim drie jaar meerdere brieven en besluiten aan betrokkene heeft gezonden, zoals betalingsherinneringen, aanmaningen en een dwangbevel, levert ook geen concrete aanwijzing op voor de ontvangst van de besluiten van 10 september
  4. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat eerst met de toezending van de besluiten aan de gemachtigde van betrokkene op 1 maart 2018 deze besluiten bekend zijn gemaakt, zodat op dat moment de termijn van zes weken voor het maken van bezwaar is gaan lopen. Het bezwaarschrift van 27 maart 2018 is dan ook tijdig ingediend. Het Uwv heeft in dit kader onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1354, gesteld dat het bezwaar niet tijdig is omdat niet zo spoedig mogelijk na ontvangst van de besluiten op 5 maart 2018 bezwaar is gemaakt. Dit betoog slaagt niet. Deze rechtspraak is niet op deze situatie van toepassing. Anders dan in het voorliggende geval stond in dat geval de verzending van het betreffende besluit naar het juiste adres vast en ging ook het Uwv ervan uit dat betrokkene pas later bekend was geworden met dat besluit. Waarvan proces-verbaal. De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer. (getekend) C.I. Heijkoop (getekend) M. Schoneveld

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.