19578 ZW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2018, 18/4698 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 juli 2020 PROCESVERLOOP Zitting heeft: M. Schoneveld Griffier: C.M. van de Ven Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. J.M.M. Brouwer, en voor het Uwv mr. M.C. Puister. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Het Uwv heeft bij besluit van 21 september 2017, gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2018 (bestreden besluit), de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang 21 oktober 2017 beëindigd, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgelegd in de FML. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij de klachten van appellant in samenhang met de informatie van de huisarts heeft beoordeeld. Een medische onderbouwing dat er onder andere vanwege zijn zwakbegaafdheid meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, ontbreekt. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML, appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden in de in bezwaar geduide functies te verrichten. Met de toelichtingen op de signaleringen en op het opleidingsniveau hebben de arbeidsdeskundigen volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de functies niet wordt overschreden. Omdat appellant met die functies meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant beëindigd. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen er samengevat op neer dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de voor hem geduide functies gelet op zijn beperkingen niet geschikt zijn. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot het door appellant bepleite resultaat. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, hiervoor onder 2 weergegeven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 3.
- De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 oktober 2017 toereikend toegelicht dat de artrose zichtbaar op de foto’s geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen, omdat deze bevindingen bij de leeftijd van appellant geen uitzondering zijn en er bij de rugklachten van appellant geen sprake is van neurologische of motorische uitval. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook inzichtelijk gemotiveerd dat de licht verstandelijke beperking niet leidt tot meer beperkingen dan al aangenomen, nu appellant een arbeidsverleden heeft sinds 1996, een rijbewijs heeft en hij maatschappelijk opereert met behulp van een familielid, zonder professionele ondersteuning. Dit is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep redelijkerwijs in overeenstemming met wat verwacht wordt bij een dergelijke licht verstandelijke handicap. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische gegevens ingebracht die zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, onderbouwen. 3.
- Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 mei 2018 toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van het probleem oplossend vermogen het in bezwaar aangepaste opleidingsniveau 1 in acht genomen, aan welk opleidingsniveau in de functies wordt voldaan. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook toegelicht dat problemen oplossen in de geduide functies enkel op een niveau van werkroutine van praktische aard voorkomt (en dat appellant daar gelet op zijn arbeidsverleden toe in staat is). Wat de geduide functie met SBC-code 111171 betreft heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de belasting op het aspect staan tijdens 9,75 uur 60 minuten aaneen is besproken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en toelaatbaar is.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.M. van de Ven (getekend) M. Schoneveld