19 59 WAJONG Datum uitspraak: 30 juli 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2018, 18/1377 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. el Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Idrissi en door A. Ouazizi als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren [in] 1988, heeft op 10 mei 2017 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant aanspraak maakt op een uikering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) omdat hij door psychische klachten niet kan functioneren. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het Uwv aan appellant een Wajong-uitkering geweigerd omdat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft, maar de verwachting is dat hij dit in de toekomst mogelijk wel heeft. 1.2. Bij besluit van 21 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 3 juli 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder de gewijzigde motivering dat appellant op dit moment over arbeidsvermogen beschikt en hij op die grond geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de vele beperkingen van appellant adequaat zijn weergegeven. Hij heeft gemotiveerd dat de in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid opgenomen indicatiegebieden voor een urenbeperking niet in die mate aanwezig zijn dat vier uur arbeid per dag onmogelijk is. Verder heeft hij inzichtelijk beargumenteerd dat appellant aangesloten gedurende één uur kan werken aangezien er geen sprake is van een ernstige verstandelijke beperking waardoor binnen het uur herhaalde bijsturing noodzakelijk is en ook niet van een dermate gestoord concentratievermogen dat appellant niet gedurende één uur met een (eenvoudige) taak bezig zou kunnen zijn. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, overtuigend heeft gemotiveerd dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden. Appellant kan dagelijkse routinehandelingen uitvoeren, hij kan communiceren en hij kan zich al dan niet met hulpmiddelen afspraken herinneren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de ontwikkeling van vaardigheden mogelijk is met ondersteuning en begeleiding in de praktijk en dat appellant op basis van instructies met herhaling, duidelijkheid en toetsing nieuwe zelfstandige taken en een werkroutine kan aanleren. Deze toelichting heeft de rechtbank niet onjuist geacht. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt omdat hij vanwege zijn beperkingen niet in voldoende mate in staat is om instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Daarnaast heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij last heeft van stemmen in zijn hoofd en hij daardoor niet in staat is om gedurende ten minste een aaneengesloten uur voldoende aandacht op het werk te blijven richten. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens de hoorzitting geconstateerd dat appellant af en toe wat afwezig is. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij in het verleden meerdere keren opgenomen is geweest in verband met psychotische periodes en dat er om overbelasting te vermijden reden is voor een preventieve urenbeperking van meer dan vier uur per dag. Tot slot heeft appellant de Raad verzocht om een verzekeringsarts als onafhankelijke deskundige te benoemen. 3.2. Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong kan een recht op Wajong-uitkering niet eerder ontstaan dan op de dag waarop de aanvraag daartoe werd ingediend. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.