18410 WAJONG Datum uitspraak: 11 augustus 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 december 2017, 17/3674 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H. Selçuk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Selçuk. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1991, heeft op 16 september 2016 een aanvraag ‘Beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend bij het Uwv. Daarbij is vermeld dat appellante psychische (borderline) en lichamelijke (whiplash) klachten heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 11 april 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 23 december 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken op zorgvuldige wijze plaatsgevonden, omdat de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige appellante hebben gezien en de informatie over haar aandoeningen en gevolgde behandelingen bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen. Daartoe heeft zij overwogen dat er rekening is gehouden met de beperkingen van appellante als gevolg van haar psychische klachten en ook met de whiplashklachten, hoewel de laatste op haar achttiende verjaardag nog niet aanwezig waren. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van appellante dat zij concentratieproblemen en andere cognitieve beperkingen heeft, niet is onderbouwd met medische informatie en daarom niet slaagt. Omdat niet is gebleken van concentratieproblemen of andere cognitieve beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante niet in staat zou zijn om één uur aaneengesloten en vier uur per dag werkzaamheden te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt appellante over basale werknemersvaardigheden en heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat haar begeleidingsbehoefte in dit verband geen beletsel vormt. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de taak scannen te verrichten, in aanmerking nemende dat het daarbij gaat om eenvoudig administratief werk, zonder tempodruk of samenwerking met collega’s en het een taak is die onder begeleiding kan worden uitgevoerd. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep onder herhaling van de in beroep aangevoerde gronden betoogd dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat zij geen arbeidsvermogen heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een e-mail van een werkgeversadviseur van de gemeente Breda, een intakeverslag van de polikliniek psychiatrie van het Amphia ziekenhuis van 19 december 2018, een rapport van een neuropsychologisch onderzoek (NPO) op 31 januari 2019 en een brief van haar behandelend reumatoloog van 6 april 2020 overgelegd. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.