181199 WIA Datum uitspraak: 19 augustus 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2018, 17/1726 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Winia, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Winia. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen vragen van de Raad te beantwoorden. Het Uwv heeft een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft in 2010 een aanvraag voor een uitkering op grond van de toenmalige Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) gedaan wegens klachten als gevolg van PDD-NOS. Een verzekeringsarts heeft in het kader van die beoordeling op 22 juli 2010 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Uiteindelijk heeft dat niet geleid tot de toekenning van een Wajong‑uitkering. 1.2. Appellant heeft laatstelijk vanaf 26 juli 2012 gewerkt als medewerker helpdesk voor 32 uur per week. Op 26 november 2012 is hij uitgevallen voor zijn werk wegens psychische klachten als gevolg van PDD-NOS en cannabisverslaving. Per 20 januari 2013 is het dienstverband geëindigd. Appellant is vervolgens in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Bij de beoordeling in het kader van de ZW heeft een verzekeringsarts in zijn rapport van 18 april 2013 vermeld appellant te hebben geadviseerd behandeling van een psychiater te zoeken. Mocht dat appellant niet lukken dan zou er een psychiatrische expertise moeten plaatsvinden. 1.3. In zijn rapport van 7 oktober 2013 heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat uit het ontbreken van herstelgedrag blijkt dat appellant in zijn dagelijks leven kennelijk nauwelijks hinder ondervindt van de geclaimde belemmeringen als gevolg van PDD-NOS. De verzekeringsarts heeft daarbij aangetekend dat het cannabisgebruik in remmissie zou zijn. De eerdere toegenomen beperkingen waren niet meer aannemelijk en van een psychiatrische expertise werd afgezien, omdat de diagnose duidelijk was. Daarop is appellant per 8 oktober 2013 hersteld verklaard. 1.4. In het kader van de bezwaarprocedure tegen de hersteldverklaring heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 november 2013 geconcludeerd dat appellant in belangrijke mate prikkelgevoelig is en moeite heeft om structuur aan te brengen of vast te houden. Hiermee is het volgens deze verzekeringsarts voorstelbaar dat appellant is vastgelopen in het prikkelrijke en stresserende werk als medewerker telefonische helpdesk. Het is eveneens voorstelbaar dat dit weer zal gebeuren. Omdat appellant hersteld was van zijn decompensatie was er geen grond (meer) voor ziekengeld. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld. 1.5. Op 17 januari 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 23 januari 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant nog geen 104 weken ziek is en hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht. Meegedeeld is dat appellant mogelijk een WIA-uitkering kan krijgen als hij twee jaar ziek is. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. 1.6. Op 14 november 2016 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 15 november 2016 heeft het Uwv het besluit van 23 januari 2014 ingetrokken en geweigerd om appellant met ingang van 24 november 2014 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de wachttijd van 104 weken niet is doorlopen, gelet op de hersteldverklaring voor de ZW met ingang van 8 oktober 2013. Appellant heeft bezwaar gemaakt en een rapport van Solutions! overgelegd. Bedrijfsarts D.C.G. van Reenen van Solutions! heeft daarin uiteengezet dat appellant een ernstige vorm van PPD-NOS heeft. Bij beslissing op bezwaar van 29 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 15 november 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2017 ten grondslag gelegd. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen veranderingen zijn opgetreden sinds de beoordelingen in 2010 en 2013 en dat in de FML van 22 juli 2010 rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. 2.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en in beroep een rapport van Triage overgelegd. Verzekeringsarts mr. M.C. Huijsman van Triage heeft de conclusies van Van Reenen onderschreven en geconcludeerd dat het Uwv niet zorgvuldig heeft gehandeld door geen psychiatrische expertise te hebben laten verrichten, terwijl daar wel aanleiding toe bestond en bestaat. Voorts achtte Huijsmans het tegenstrijdig dat de verzekeringsarts appellant min of meer doorverwees voor een GGZ-behandeling en appellant tegelijkertijd hersteld heeft verklaard. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. De gedingstukken hebben de rechtbank geen aanknopingspunten geboden voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Appellant heeft zijn standpunt dat hij doorlopend arbeidsongeschikt is geweest volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt met het rapport van bedrijfsarts Van Reenen van Solutions! en het in beroep overgelegde rapport van medisch adviseur en verzekeringsarts Huijsman van Triage. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een psychiatrische expertise te laten verrichten. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij doorlopend arbeidsongeschikt is geweest sinds 26 november 2012 wegens de beperkingen die voortvloeien uit de bij hem vastgestelde aandoening PDD-NOS. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een expertiserapport ingediend van psychiater J.L.M. Schoutrop van 24 december 2018. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juli 2019. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA, bepaalt dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering voor hem een wachttijd geldt van 104 weken. Als eerste dag van de wachttijd geldt, op grond van het tweede lid van artikel 23, de eerste werkdag al dan niet in dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens werktijd is gestaakt. Voorts houdt het derde lid van dit artikel – kort gezegd – in dat bij het bepalen van de wachttijd de volgende perioden in aanmerking worden genomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.