← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:241

173262 ZW Datum uitspraak: 30 januari 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 16 maart 2017, 16/2551 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. N.M.J. Schepens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schepens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. De Raad heeft het onderzoek heropend en psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing als deskundige benoemd. Op 8 mei 2019 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. Appellant heeft een zienswijze ingebracht. Het Uwv heeft op 26 juli 2019 een nieuw besluit genomen. Appellant heeft een zienswijze ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is werkzaam geweest als chauffeur voor 33,79 uur per week. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 4 december 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Vanaf 7 april 2014 is appellant werkzaam geweest als medewerker facilitair voor 20 uur per week. Op 10 maart 2015 heeft appellant zich ziek gemeld. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 2 april 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. 1.
  3. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) en een herbeoordeling op grond van de Wet WIA heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 februari
  4. In het kader van de EZWb heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant in het kader van de ZW nog 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. In het kader van de herbeoordeling op grond van de Wet WIA heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 9 maart 2016 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 9 april 2016 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 maart 2016 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 17 mei 2016 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 maart 2016 en 16 maart 2016 heeft het Uwv bij besluit van 13 juli 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van 12 juli 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
  5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
  6. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. 3.
  7. De Raad heeft aanleiding gezien zich te laten adviseren door de deskundige psychiater Hernandez-Dwarkasing, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De deskundige heeft op 8 mei 2019 een rapport uitgebracht. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2019 (bestreden besluit 2) de ZW-uitkering van appellant per 9 april 2016 en de WGA-uitkering van appellant per 17 mei 2016 voortgezet. Hierbij heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd, waarbij de FML op 13 juni 2019 is aangepast en geconcludeerd is dat onvoldoende passende functies geselecteerd kunnen worden in het kader van de EZWb en de herbeoordeling op grond van de Wet WIA. 3.
  8. Appellant heeft zijn hoger beroep gehandhaafd en aangevoerd dat met de FML van 13 juni 2019 onvoldoende tegemoet is gekomen aan zijn beperkingen, omdat uit het rapport van de deskundige meer beperkingen volgen.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Nu bestreden besluit 2 in de plaats komt van het niet gehandhaafde bestreden besluit 1, moet bestreden besluit 1 als onrechtmatig worden aangemerkt. Dat heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals bestreden besluit
  11. Bestreden besluit 2 wordt, gelet het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. 4.
  12. De FML van 13 juni 2019 is van toepassing op de in dit geding relevante data in
  13. Op basis daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat de beslissingen tot beëindiging van de ZW-uitkering en de WIA-uitkering niet kunnen worden gehandhaafd, omdat de voor appellant geselecteerde functies voor hem niet passend waren. Er is door het Uwv op basis van de FML geen nieuwe beslissing genomen met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op een later moment. Als per een latere datum alsnog een besluit wordt genomen over de aanspraken van appellant zal voorafgaand daaraan een nieuwe beoordeling van zijn beperkingen op dat moment plaats moeten vinden. Het Uwv zal dan een nieuwe FML op moeten stellen. Dat betekent dat appellant nu geen belang (meer) heeft bij een beoordeling van zijn bezwaren tegen de FML van 13 juni
  14. Omdat er overigens geen aanleiding bestaat het besluit van 26 juli 2019 niet in stand te laten zal het beroep van appellant daartegen ongegrond worden verklaard.
  15. Het Uwv wordt veroordeeld tot het vergoeden van de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten worden voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep. Voorts is aanleiding aanwezig het Uwv te veroordelen in de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in beroep en het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Deze kosten bedragen € 16,48 in beroep en € 33,48 in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2016 gegrond en vernietigt dat besluit; verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2019 ongegrond; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.149,96; bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari
  16. (getekend) A.T. de Kwaasteniet De griffier is verhinderd te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.