18/2646 Wajong Datum uitspraak: 8 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 maart 2018, 17/2586 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F. Postma, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een verzekeringsgeneeskundig expertiserapport in geding gebracht. Het Uwv heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2020. Namens appellante is verschenen mr. S. van Gent, advocaat en kantoorgenoot van mr. Postma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1997, heeft met een door het Uwv op 21 maart 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat sprake is van spastische dystone unilaterale cerebrale parese rechts, waardoor zij haar rechterhand niet tot nauwelijks kan gebruiken. Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van revalidatieartsen verbonden aan revalidatiecentrum [naam revalidatiecentrum], van een ergotherapeut en van de plastisch chirurg over de periode oktober 2013 tot april 2017. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 5 juli 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. In bezwaar heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat zij door haar pijnklachten niet in staat is om één uur aaneengesloten te werken en vier uur per dag belastbaar is, informatie van de huisarts en van een door Isala verricht persoonlijkheidsonderzoek van 12 juli 2017 overgelegd. Verder heeft appellante een verslag van een multidisciplinair onderzoek van UMC Groningen van 22 april 2015 ingezonden. Bij besluit van 18 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 5 juli 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd, geen reden geeft de beoordeling door het Uwv onjuist te achten. Wat betreft de informatie van de revalidatiearts van 5 februari 2018 die appellante in beroep heeft overgelegd, waarin onder meer is vermeld dat het voor appellante gezien haar problematiek onverstandig is om meer dan drie kwartier achtereen in dezelfde houding te zitten, heeft de rechtbank de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. In diens rapport van 6 februari 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de informatie van de revalidatiearts weliswaar reden geeft een verminderde energetische belastbaarheid aan te nemen tot vier uur per dag, maar dat dit niet betekent dat appellante niet één uur aaneengesloten kan werken. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht om de taak ‘bemannen balie’ te vervullen. Het betreft een taak waarin nauwelijks arm- of handbelasting voorkomt en die door appellante ondanks haar fysieke beperkingen kan worden uitgevoerd. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij door pijnklachten niet één uur aaneengesloten kan werken. Verder acht zij zich niet in staat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde taak ‘bemannen balie’ te verrichten en acht zij die taak onvoldoende gespecificeerd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een verzekeringsgeneeskundig expertiserapport van 8 januari 2019 van H.J.M. van der Planken in geding gebracht, alsmede een neuropsychologisch onderzoek van 4 oktober 2019. Verder heeft appellante nog een aanvullende brief van psycholoog H. van Rijt van 25 januari 2018 en informatie van de revalidatiearts van 25 mei 2020 ingezonden. 3.2. Het Uwv heeft op de ingebrachte stukken zijn zienswijze gegeven en het ingenomen standpunt gehandhaafd. Verzocht is de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.