← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2442

185700 PW Datum uitspraak: 12 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2018, 18/1564 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college) PROCESVERLOOP Namens appellante hebben [X] en [Y], gemachtigden, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante heeft tot 1 november 2013 een onderneming gehad. Zij ontvangt sinds 2 januari 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). 1.
  4. Appellante heeft op 5 oktober 2017 een wijzigingsformulier met bijlage ingeleverd bij het college. Daaruit blijkt dat appellante in 2017 een belastingteruggave van € 3.163,- heeft ontvangen over het jaar
  5. 1.
  6. Bij besluit van 20 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2018 (bestreden besluit), heeft het college van appellante een bedrag teruggevorderd van € 3.163,-. Het college heeft de belastingteruggave op grond van artikel 32, eerste lid, van de PW als inkomen over 2015 in aanmerking genomen.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken tot de middelen gerekend. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover hier van belang, worden voorlopige teruggaven en teruggaven inkomstenbelasting en loonbelasting als inkomen in aanmerking genomen. Blijkens het bepaalde onder artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is dat laatste alleen het geval indien de teruggave betrekking heeft op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. 4.
  11. Niet in geschil is dat de belastingteruggave tot de middelen moet worden gerekend. Het hoger beroep komt er in de kern op neer dat het college de teruggave ten onrechte als inkomen in aanmerking heeft genomen en niet als vermogen. De teruggave mag niet als inkomen in aanmerking worden genomen omdat de teruggave verrekenbare verliezen betreft die geleden zijn in een periode waarin appellante geen beroep op bijstand deed. De teruggave heeft gelet daarop betrekking op een periode waarin appellante geen bijstand genoot. 4.
  12. Anders dan appellante stelt, heeft de teruggave betrekking op het jaar
  13. Dat de belastingteruggave zijn grondslag heeft in een verrekenbaar verlies dat afkomstig is uit de belastingjaren tot en met 2013 is niet van belang. Zie in die zin ook de uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY
  14. De teruggave is immers een teruggave van belasting over het jaar 2015 en betreft de in dat jaar geheven loonheffingen. Dat het fiscale inkomen over 2015 is verlaagd als gevolg van verrekening van de verrekenbare verliezen met het uit de bijstand genoten inkomen, wat heeft geleid tot de teruggave van de geheven loonheffingen, maakt niet dat de teruggave moet worden toegerekend aan de periode waarin de verliezen zijn ontstaan. Het gaat nog altijd over de in 2015 over inkomsten geheven loonheffingen. Appellante heeft in het gehele jaar 2015 een beroep op bijstand gedaan. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW dat de belastingteruggave betrekking heeft op een periode waarin appellante een beroep op bijstand heeft gedaan. Het college heeft de teruggave daarom terecht als inkomen in aanmerking genomen. 4.4.
  15. Wat in 4.3 is overwogen wordt niet anders door de antwoorden van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) op 22 juni 2018 op Kamervragen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2017-2018, 34950-XV, nr. 8, p. 23). De staatssecretaris heeft op de vraag of verrekenbaar verlies inkomen is, geantwoord dat dit afhankelijk is van de periode waarop het inkomen betrekking heeft. Als het verrekenbaar verlies betrekking heeft op een periode in het verleden waarin geen bijstand is verstrekt dan dient het inkomen uit verrekenbaar verlies als vermogenscomponent te worden beschouwd. 4.4.
  16. Het gaat hier echter, anders dan in de vraagstelling en de beantwoording daarvan tot uitdrukking komt, niet om het als inkomen in aanmerking nemen van een verrekenbaar verlies. Het gaat om het als inkomen in aanmerking nemen van een belastingteruggave. Alleen al om die reden komt aan de beantwoording van de vragen door de staatssecretaris hier geen betekenis toe. 4.
  17. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober
  18. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) D. Bakker

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.