Datum uitspraak: 7 oktober 2020 19/2166 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2019, 17/4241 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.D. de Rooij, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 13 november 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 17 december 2019 heeft mr. De Rooij namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 november 2019 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding van de kosten van door de gemachtigde van appellante overgelegde notitie van F.M. Brouwer, bedrijfsarts/verzekeringsarts/medisch adviseur, komt voor toewijzing in aanmerking. Hierbij wordt uitgegaan van een uurtarief van € 126,47 (Besluit tarieven strafzaken 2003). Uit de door gemachtigde van appellante overgelegde nota blijkt dat de werkzaamheden van Brouwer 4 uur en 30 minuten in beslag hebben genomen. Conform artikel 9 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt dit afgerond naar 5 uur, zodat de vergoeding € 765,15 (inclusief 21% BTW) bedraagt. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.340,15. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2020. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) K.R. van Renswoude TM
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.