182678 WAJONG Datum uitspraak: 16 oktober 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 mei 2018, 17/2451 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen op 28 augustus 2020. Namens appellante is mr. Schriemer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1972, heeft sinds 15 mei 1990 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 10 januari 2017 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en raadpleging door de verzekeringsarts van een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 4 april 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 17 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 4 april 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voldoende heeft gemotiveerd dat appellante met haar beperkingen geacht wordt vier uur per dag belastbaar te zijn en een uur aaneengesloten te werken. De rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd in de conclusies dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat zij de voorbeeldtaken (inscannen van documenten, invoeren van gegevens) kan verrichten. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Het onderzoek van de verzekeringsartsen is volgens appellante niet zorgvuldig geweest. Appellante heeft gesteld dat zij geen actief dagverhaal heeft, dat zij via de WMO huishoudelijke hulp heeft en dat zij wordt begeleid door maatschappelijk werk. Volgens appellante is er aan voorbij gegaan dat zij door haar ernstige psychische problemen in het verleden niet in staat is gebleken om WSW-werk vol te houden. Appellante heeft gesteld dat zij niet vier uur per dag belastbaar is, omdat zij door haar PTSS en psychische klachten meer energie verbruikt en bovendien slaapapneu heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook niet gemotiveerd waarom appellante gelet op haar aandoeningen (PTSS, angststoornissen, epilepsie en COPD/astma) een uur achtereen kan werken. Appellante heeft er op gewezen dat in de Nota van Toelichting Wijziging Schattingsbesluit (Stb. 2014, 359) staat dat de beoordeling of iemand een taak kan uitvoeren begint bij de inventarisatie van de activiteiten in het dagelijks leven. Dat is volgens appellante niet gebeurd. Appellante heeft voorts gesteld dat de voorbeeldtaken niet geschikt zijn voor haar, omdat zij door beperkingen aan haar ogen niet langer dan twintig minuten naar een beeldscherm kan kijken. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.