← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2515

184502 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2018, 18/2140 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 13 oktober 2020 Zitting heeft: A.M. Overbeeke, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: T. Ali Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.B.A. Willering, advocaat. Namens het college is verschenen mr. C.J. Telting. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellanten hebben op 30 november 2017 een aanvraag om een langdurigheidstoeslag over de jaren 2013 en 2014 ingediend. Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat aanvragen die na 1 juli 2013 zijn gedaan niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Volgens de rechtbank hebben appellanten hun stelling dat een baliemedewerkster eind 2014 onjuiste informatie heeft verschaft over het afschaffen van de langdurigheidstoeslag en dat zij geen aanvraagformulieren heeft verstrekt, niet onderbouwd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellanten niet kunnen worden gevolgd in hun betoog dat het college in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht omdat appellanten tijdens een contactmoment in 2015 niet is verteld dat de langdurigheidstoeslag is vervangen door de individuele inkomenstoeslag. Appellanten hebben ook dit standpunt niet onderbouwd. Volgens de rechtbank heeft het college de aanvraag terecht afgewezen. De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn in wezen een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3616) onbekendheid met de wet- of regelgeving of gebrek aan voorlichting van de zijde van het college, voor zover hier al sprake van is, niet tot een bijzondere omstandigheid leidt die afwijking rechtvaardigt van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Verder hebben appellanten niet onderbouwd dat zij door het college zijn afgehouden van het doen van een aanvraag. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) T. Ali (getekend) A.M. Overbeeke

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.