Datum uitspraak: 20 oktober 2020 19/3084 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juli 2019, 18/2721 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.Th.H.M.J. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 25 juni 2020 heeft mr. Aarts namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft bij brief van 8 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken omdat met het besluit van 3 juni 2020, waarbij het college alsnog aan appellante de gevraagde bijzondere bijstand heeft toegekend, geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake. De bijzondere bijstand is toegekend naar aanleiding van het door appellante hangende het hoger beroep ingediende verzoek om herziening, waarbij zij de definitieve belastingaanslag 2018 heeft overgelegd. Het college heeft al in bezwaar aan appellante kenbaar gemaakt dat, als zij zich na een later opgelegde belastingaanslag zou melden, op basis van die aanslag een herziening kon plaatsvinden van de afwijzende beslissing. De bijstandverlening houdt dus geen verband met de onderhavige procedure. Het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten wordt daarom afgewezen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante af. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) N. Khachatryan
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.