Datum uitspraak: 27 oktober 2020 20/2173 PW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) het college van burgemeester en wethouders van Gouda PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 8:81, 8:82 en 8:83 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Ingevolge artikel 8:81 in samenhang met artikel 8:104 van de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. Bij brief van 17 juni 2020 is de gemachtigde van verzoekster erop gewezen dat verzoekster ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 131,-, is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief dient te zijn voldaan. Bij brief van 19 juni 2020 is namens verzoekster een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 29 juni 2020 is de gemachtigde van verzoekster gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. De gemachtigde van verzoekster is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is de gemachtigde van verzoekster erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens. Verzoekster heeft dit formulier ingevuld en ondertekend ingezonden. De Raad heeft het op op 6 juli 2020 ontvangen. Bij brief van 10 juli 2020 heeft de Raad een inkomensverklaring met betrekking tot verzoekster opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand. Bij brief van 21 juli 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van verzoekster overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van verzoekster €20.098,- bedraagt in het peiljaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.