← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2727

19 1076 ZW Datum uitspraak: 5 november 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2019, 18/2899 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt als schoonmaakster voor 11,25 uur per week. Zij heeft zich op 3 november 2017 ziek gemeld met rug- en maagklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. 1.
  2. Appellante heeft op 10 januari 2018 het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2018 vastgesteld dat appellante per 17 januari 2018 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 maart 2018 ten grondslag.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geen reden gezien het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts heeft overwogen dat de rugklachten al 22 tot 28 jaar bestaan, dat zij met deze klachten haar arbeid heeft verricht, en dat haar maagklachten geen reden vormen voor arbeidsongeschiktheid omdat deze klachten voornamelijk ontstaan na het eten en appellante op een ander moment kan eten dan vlak voordat zij moet werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellante ter zitting heeft gezien, heeft na dossierstudie en na kennisname van de opgevraagde medische informatie van de behandelend sector, de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 maart 2018 gemotiveerd dat appellante niet voldoet aan de criteria van de Standaard ‘Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden’, zodat op de datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Door appellante zijn in beroep geen medische feiten naar voren gebracht die reden zouden kunnen geven voor zodanige twijfel. De stelling van appellante, zoals toegelicht ter zitting, dat zij een jaar voorafgaande aan de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst geen werkzaamheden meer heeft verricht als gevolg van haar klachten, kan niet slagen. De tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts gedane verklaring van appellante, ondersteunt de stelling van appellante niet, terwijl overig bewijs voor haar stelling niet naar voren is gebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv appellante terecht met ingang van 17 januari 2018 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid. 3.
  4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft overwogen dat zij jarenlang met haar klachten haar arbeid als schoonmaakster heeft verricht. Door haar medische klachten was zij niet meer in staat het werk te verrichten. Daarom is middels een vaststellingsovereenkomst op 20 september 2017 het dienstverband beëindigd. Zij heeft ruim een half jaar daarvoor geen feitelijke werkzaamheden meer verricht voor haar ex-werkgever. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante een e-mailbericht van haar ex-werkgever overgelegd. 3.
  5. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 4.
  8. De hoger beroepsgronden van appellante zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht en houden in dat appellante van mening is dat zij door haar maag- en rugklachten niet in staat is tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering worden onderschreven. 4.
  9. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanknopingspunten om de rechtbank niet te volgen in haar conclusie dat het Uwv appellante terecht met ingang van 17 januari 2018 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid. De grond dat appellante ruim een half jaar voor het einde van de arbeidsovereenkomst op 20 september 2017 feitelijk geen daadwerkelijke werkzaamheden heeft verricht als gevolg van haar klachten, slaagt niet. Het e-mailbericht van haar ex-werkgever bevestigt enkel de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst, omdat appellante weigerde mee te werken aan haar re-integratie en op 13 maart 2017 niet is gestart met aangepaste werkzaamheden. Dit doet niet af aan het oordeel van de verzekeringsartsen over de geschiktheid van appellante voor het verrichten van haar arbeid. 4.
  10. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding is terecht afgewezen.
  11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november
  12. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) D.S. Barthel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.