Datum uitspraak: 26 oktober 2020 19/4900 PW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2019, 19/2693 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 3 oktober 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 september
- Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 27 februari 2020 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Volgens artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Hierbij wordt de poststempel als uitgangspunt genomen voor de datum van ter postbezorging. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 25 november
- Het door appellante ingediende hogerberoepschrift is gedateerd op 23 november 2019, is blijkens de poststempel op 26 november 2019 ter post bezorgd en is op 27 november 2019 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift is daardoor overschreden. Bij brief van 3 december 2019 heeft de Raad bij appellante geïnformeerd naar de reden van termijnoverschrijding. Appellante heeft daarop bij brief gedateerd op 6 december 2019, door de Raad ontvangen op 2 januari 2020, geantwoord het hogerberoepschrift op 25 november 2019 te hebben verzonden. Dat is echter gezien de poststempel op 26 november 2019 niet aannemelijk. Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
- (getekend) C.H. Bangma (getekend) R.I.S. van Haaren