← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2858

Datum uitspraak: 13 november 2020 19/1484 PW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2019, 18/3547 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 2 juni 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020, waar mr. K.A. Faber, advocaat, namens appellant is verschenen. Het college heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 2 juni 2020 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald nadat het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht is afgewezen omdat de gevraagde actuele uitkerings- of salarisspecificatie niet is verstrekt en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In verzet is aangevoerd dat de overgelegde belastingopgave van 2018 over het verzamelinkomen in voorgaande procedures eerder wel toereikend was en werd geaccepteerd voor het aantonen van betalingsonmacht van het griffierecht. Appellant ondersteunt dat met rechtspraak van het Hof. De reden dat pas in verzet een door de Raad opgevraagde actuele uitkeringsspecificatie wordt overgelegd, is dat appellant vreesde dat die uitkeringsspecificatie leidend zou zijn en dat dan niet zou worden gekeken naar de aftrekposten. De Raad stelt vast dat in het verzetschrift en wat is aangevoerd tijdens de zitting geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierbij merkt de Raad op dat, zou het betoog wel slagen, op basis van de in verzet overgelegde gegevens, het inkomen waarschijnlijk te hoog is om te kunnen concluderen dat sprake is van betalingsonmacht. Dit betekent dat het verzet ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020. (getekend) C.H. Bangma (getekend) R.H. Koopman

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.