← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2877

192998 WMO15 Datum uitspraak: 18 november 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2019, 18/8376 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober

  1. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft op 15 augustus 2018 een melding gedaan en verzocht om verbreding van een woonkamerdeur in zijn woning aan [adres 1] te [woonplaats] , zodat appellant zijn scootmobiel in de woonkamer kan stallen en opladen. 1.
  4. Op 28 augustus 2018 heeft een medewerker van het college een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellant. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een gespreksverslag van 29 augustus
  5. Op 30 augustus 2018 heeft appellant een aanvraag ingediend om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van eerder genoemde woningaanpassing. 1.
  6. Bij besluit van 30 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het met de scootmobiel kunnen bereiken van de keuken voor het uitladen van boodschappen niet noodzakelijk is, omdat appellant op eenvoudige wijze met zijn rollator de boodschappen kan transporteren van de in de hal geparkeerde scootmobiel naar de keuken. De scootmobiel kan in de hal worden gestald en opgeladen. Daarbij komt dat de scootmobiel een vervoersvoorziening is die uitsluitend is bedoeld om buitenshuis in de directe woonomgeving te gebruiken en niet om in de woning te rijden.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. 4.
  11. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. 4.
  12. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende procesbelang heeft. Niet in geschil is dat appellant is verhuisd naar de [adres 2] te [woonplaats] en appellant niet langer woonachtig is in de woning aan [adres 1] te [woonplaats] . Derhalve valt niet in te zien wat appellant met zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, die ging over de gevraagde woningaanpassing in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , feitelijk nog kan bereiken. Appellant heeft schriftelijk en ter zitting van de Raad toegelicht dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep omdat hij goed onderdak wil krijgen en sprake is geweest van een onrechtmatige huisuitzetting waarbij zijn inboedel is opgeslagen in een verhuiscontainer. Hier kan evenmin een procesbelang uit worden afgeleid. 4.
  13. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat hetgeen appellant naar voren heeft gebracht onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van F. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november
  15. (getekend) D.S. de Vries (getekend) F. Boon

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.