173636 WAJONG-T Datum uitspraak: 31 januari 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 maart 2017, 16/3647 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.R.V.L. Kicken, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kicken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1997, heeft op 29 januari 2016 een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in verband met een licht verstandelijke beperking en een angststoornis. Appellante heeft verzocht de uitkering met ingang van 1 mei 2015 toe te kennen omdat zij met ingang van die datum niet meer schoolgaand is. 1.2. Bij besluit van 21 april 2016 heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek geweigerd om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellante op dat moment geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Appellante wordt niet in staat geacht één uur aaneengesloten actief te zijn zonder dat vaker dan één keer per uur substantiële onderbreking van het productieproces voor bijsturing nodig is. Appellante is aangewezen op min of meer permanent toezicht en regelmatige begeleiding. 1.3. Bij besluit van 14 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 april 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt ingenomen dat appellante in bepaalde deeltaken, die zij goed geoefend heeft, één uur zonder begeleiding moet kunnen werken, waardoor er sprake is van enig arbeidsvermogen en verbetering van het arbeidsvermogen waarschijnlijk is. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd toegelicht dat appellante in staat is gedurende een periode van ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Ook heeft de rechtbank het arbeidskundige deel van het bestreden besluit onderschreven. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig geweest is omdat zij in bezwaar niet is gehoord of gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft zij zich niet kunnen vinden in het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat zij één uur aaneengesloten kan werken. Appellante heeft veel en specialistische begeleiding nodig. Het Uwv heeft onvoldoende waarde gehecht aan het feit dat zij voor onbepaalde tijd een indicatie voor dagbesteding heeft gekregen. De rechtbank en het Uwv hebben ten onrechte geconcludeerd dat zij arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft erop gewezen dat diezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van een eerdere beoordeling in 2014 heeft vastgesteld dat appellante op dat moment geen arbeidsvermogen heeft, maar dat niet is uitgesloten dat appellante dit nog kan ontwikkelen. Appellante acht het onvoldoende inzichtelijk waarom zij nu ineens wel arbeidsvermogen heeft. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een verklaring ingezonden van gedragsdeskundige Loes van Heugten van 25 april 2017 en verschillende verslagen van Stevig, waaronder een behandelplan, een verslag van de diagnostische bespreking van de behandeling van 7 juni 2018 en een verslag van een klinisch neuropsychologisch onderzoek. 3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.