← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:2941

191657 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 1 maart 2019 (bestreden besluit) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 26 november 2020 PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3826, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2017, 16/4150, deels vernietigd, opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door de Svb nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Bij het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. J.H. Weermeijer beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Weermeijer heeft op 19 oktober 2020 nog een nader stuk ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober

  1. Voor appellant is mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 22 november
  3. Hij voegt daar het volgende aan toe. 1.
  4. De Svb heeft ter uitvoering van deze uitspraak het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft de Svb het bezwaar gegrond verklaard en zich bereid verklaard mee te werken aan het sluiten van een regularisatieovereenkomst met de Luxemburgse autoriteiten voor de periode 1 juli 2010 tot en met 29 februari
  5. De Svb weigert echter mee te werken aan een dergelijke overeenkomst voor de periode 1 maart 2012 tot en met 31 december
  6. Het geschil is dan ook thans beperkt tot laatstgenoemde periode. Over deze periode is in de uitspraak van 22 november 2018 overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, gezien de beslissing op bezwaar van de Belastingdienst van 14 februari
  7. Omdat de Svb niet had onderzocht of er sprake was van bijzondere omstandigheden om desondanks aan regularisatie mee te werken, diende de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Als er geen bijzondere omstandigheden zijn, is geoordeeld dat in de periode in geding niet aan regularisatie hoeft te worden meegewerkt.
  8. Appellant heeft in essentie gesteld dat de Svb geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid heeft in dit geschil, omdat het verzoek tot regularisatie bij de Luxemburgse autoriteiten had moeten worden ingediend. Ook heeft appellant er op gewezen dat hij een nettoloonafspraak had met zijn werkgever. Met de onder procesverloop genoemde brief van 19 oktober 2020 heeft appellant nog gesteld dat het schip waarop hij voer ten tijde in geding geëxploiteerd werd door een Duitse onderneming. 3.
  9. Wat appellant (wederom) inbrengt over de beslissingsbevoegdheid van de Svb kan niet meer aan de orde komen, omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Raad. De Svb heeft bij het bestreden besluit, conform de bij de uitspraak van 22 november 2018 door de Raad gegeven opdracht, onderzoek gedaan naar de vraag of er in het geval van appellant bijzondere omstandigheden waren waardoor moet worden meegewerkt aan regularisatie. 3.
  10. Ten aanzien van de aangevoerde bijzondere omstandigheden overweegt de Raad als volgt. Voor zover er al sprake was van een nettoloonafspraak, heeft de Svb zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet is aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Appellant kon immers in de periode in geding weten dat hij onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel, zodat premieafdracht in Nederland diende plaats te vinden. Welke (loon)afspraken appellant met zijn werkgever heeft gemaakt en of zijn werkgever die al dan niet juist is nagekomen, betreft een civiele aangelegenheid en ligt in de risicosfeer van appellant. De eerst nu opgeworpen stelling dat de exploitant van het schip waarop appellant werkzaam was, [naam schip] , niet [exploitant 1] uit Nederland, maar [exploitant 2] uit Duitsland was, kan – wat hier ook verder van zij – niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid worden gezien. 3.
  11. Uit 3.1 en 3.2 volgt dat de Svb bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om mee te werken aan regularisatie over de periode in geding heeft kunnen handhaven. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
  12. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november
  13. (getekend) A. van Gijzen (getekend R. van Doorn

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.