173800 PW-PV Datum uitspraak: 4 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2017, 16/4366 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college) Zitting heeft: J.T.H. Zimmerman Griffier: R.I.S. van Haaren Namens appellante is ter zitting verschenen mr. E. Kafa, advocaat, die waarnam voor haar gemachtigde mr. N.J. Glen Boedhram. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Berger. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Het gaat in deze zaak om de toekenning van bijstand aan appellante in de vorm van een geldlening (leenbijstand). Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand onverantwoorde uitgaven heeft gedaan door € 5.000,- en € 6.000,- over te maken naar de bankrekeningen van haar moeder en haar broer. Appellante heeft niet op verantwoorde wijze ingeteerd op haar vermogen. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante ongegrond verklaard.
- Appellante heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat zij op verantwoorde wijze op haar vermogen heeft ingeteerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij geld had geleend bij haar moeder en dat de uitgaven van de onder 1 vermelde bedragen zijn gedaan in het kader van de terugbetaling van die lening.
- Deze beroepsgrond slaagt niet. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking kunnen worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Appellante heeft het bestaan van de gestelde schuld bij haar moeder niet met verifieerbare en objectieve gegevens aannemelijk gemaakt en ook heeft zij niet onderbouwd dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De achteraf opgestelde en ingediende verklaringen van haar moeder en haar broer en de door haar moeder ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring zijn hiervoor onvoldoende. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante de noodzaak van haar uitgaven niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze uitgaven hebben in het onderhavige geval geleid tot een voorzienbaar vervroegd beroep op bijstand.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) J.T.H. Zimmerman