← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:3047

193081 ZW Datum uitspraak: 3 december 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2019, 18/6397 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 22 oktober

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster secretariaat bij [naam stichting]. Haar dienstverband is per 1 januari 2017 beëindigd. Appellante heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd per 2 januari
  3. Bij besluit van 18 april 2017 is deze aanvraag afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  4. Op 22 augustus 2017 heeft appellante zich per 2 januari 2017 ziek gemeld. Op 15 september 2017 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts die tot de conclusie is gekomen dat appellante op het moment van onderzoek niet geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid in de functie van medewerkster secretariaat. Daarbij heeft de verzekeringsarts zich niet uitgelaten over de eerste ziektedag. 1.
  5. Bij besluit van 15 november 2017 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat haar (ex) werkgever eigenrisicodrager voor de ZW is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit, is bij besluit van 12 september 2018 ongegrond verklaard. Hieraan ligt, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 september 2018, de motivering ten grondslag dat het risico voor het verlies van de gewenste aanspraak op ziekengeld bij appellante ligt omdat zij de eerste ziektedag niet kan bewijzen en dat zij door de zeer late ziekmelding ook de verzekeringsarts niet in staat heeft gesteld om de arbeidsongeschiktheid eerder in januari 2017 vast te stellen.
  6. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteen gezet dat uit de informatie van de GZ-psycholoog van 4 februari 2018 valt af te leiden dat appellante sinds 16 juni 2017 een behandeling heeft gevolgd in verband met een ernstige depressieve episode, een gespecificeerde angststoornis en huisvestingsproblematiek. Daarnaast volgt uit informatie van de psychiater van 31 augustus 2017 dat appellante in de periode van 26 oktober 2016 tot 2 juni 2017 een psychoanalytische behandeling (Kortdurende Psychoanalytische Steungevende Psychotherapie) heeft doorlopen. Maar uit deze informatie valt volgens de rechtbank niet af te leiden dat appellante al op 2 januari 2017 ongeschikt was voor haar maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aannemelijk geacht dat de psychische en lichamelijke klachten van appellante door haar ontslag zijn toegenomen, maar deze arts heeft volgens de rechtbank tegelijkertijd gemotiveerd uiteen gezet waarom geen uitspraak kan worden gedaan over een eventuele ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid op 2 januari
  7. De beschikbare informatie over de behandelingen van appellante geven daar onvoldoende duidelijkheid over. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat de behandeling vanaf 26 oktober 2016 een behandeling betrof om haar in staat te stellen beter om te gaan met tegenslagen. Ook daaruit kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat op 2 januari 2017 sprake was van medische beperkingen waardoor appellante niet in staat was de maatgevend arbeid te verrichten. 3.
  8. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat uit de aanwezige informatie van de psycholoog en de psychiater voldoende blijkt dat haar eerste ziektedag op 2 januari 2017 ligt. Volgens appellante volgt uit deze informatie dat de somberheid niet geheel verdwenen is en al speelde vanaf 2 januari
  9. Daarom is zij verwezen naar Psy‑Portal, waar is gesteld dat haar klachten vanaf 2 januari 2017 zijn verergerd. 3.
  10. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  11. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  12. Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak. 4.
  13. In geschil is enkel de vraag of appellante op 2 januari 2017 ongeschikt was tot het verrichten van haar maatgevende arbeid in de functie van medewerkster secretariaat. 4.
  14. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft gesteld. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op deze beroepsgronden en heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. 4.
  15. Het standpunt van appellante dat uit de aanwezige medische informatie wel kan worden afgeleid dat haar eerste ziektedag op 2 januari 2017 ligt, kan niet worden gevolgd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het risico dat de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt. Het is dus aan appellante om aan de hand van medisch objectiveerbare stukken aannemelijk te maken dat zij al op 2 januari 2017 ongeschikt was voor haar maatgevende arbeid. Daarin is appellante ook in hoger beroep niet geslaagd. De enkele verwijzing naar al in het dossier aanwezige medische informatie, die inzichtelijk door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling is betrokken en waarvan gemotiveerd uiteen is gezet waarom daaruit geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag is af te leiden, is daartoe onvoldoende. Daargelaten of haar klachten op 2 januari 2017 als gevolg van het ontslag zouden zijn verergerd, heeft appellante niet onderbouwd dat dit ook tot gevolg zou hebben dat zij per die datum ongeschikt zou zijn tot het verrichten van haar maatgevende arbeid. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante per 2 januari 2017 een ZW-uitkering toe te kennen. 4.
  16. Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december
  18. (getekend) T. Dompeling (getekend) A.M.M. Chevalier

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.