191733 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 februari 2019, 17/4967 AOW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 17 december 2020 PROCESVERLOOP Verzoekster heeft op 20 februari 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:409). De Svb heeft een verweerschrift ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november
- Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder, die via videobellen heeft deelgenomen aan de zitting. OVERWEGINGEN
- Voor de feiten in deze zaak wordt verwezen naar de uitspraak van 7 februari
- Voor dit geding is van belang dat verzoekster in 2012 een aanvraag om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft ingediend bij de Svb, welke is afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en zij evenmin recht heeft op huwelijkse tijdvakken op grond van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko van 14 februari
- Nu verzoekster niet verzekerd is geweest voor de AOW, heeft zij geen recht op een ouderdomspensioen. Over deze afwijzing en over een nieuwe aanvraag om een ouderdomspensioen zijn verschillende bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd, die geen van alle tot een andere materiële uitkomst hebben geleid.
- In haar verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzoekster aangevoerd dat zij zich arbeidsongeschikt acht, onder medische behandeling is en meent recht te hebben op een ouderdomspensioen.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.
- Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 3.
- Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat immers geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom haar aanvraag om een ouderdomspensioen is afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) B.H.B. Verheul