← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:3211

193369 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 april 2019, 17/7875 ANW Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 17 december 2020 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft op 5 juni 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 april 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1212). De Svb heeft een verweerschrift ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november

  1. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [naam], maatschappelijk werker. De Svb heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  2. Voor de feiten in deze zaak wordt verwezen naar de uitspraak van 4 april
  3. Voor dit geding is van belang dat de Svb in 2009 de nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) van verzoeker heeft ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering heeft teruggevorderd. In 2010 is de nabestaandenuitkering weer toegekend en is de terugvordering hiermee verrekend. Na een onderzoek naar de aflossingscapaciteit is de verrekening niet langer toegepast. Tegen de besluiten uit 2009 heeft verzoeker op 13 februari 2017 bezwaar gemaakt. In een besluit van 24 maart 2017 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard en de Raad heeft deze aangevallen uitspraak bevestigd.
  4. In zijn verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzoeker aangevoerd dat teveel nadruk is gelegd op de vraag of hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Uit het onderzoek naar zijn aflossingscapaciteit is destijds na vier maanden gebleken dat hij niet over aflossingscapaciteit beschikt. Toch is deze vier maanden de verrekening met zijn nabestaandenuitkering wel doorgevoerd. Hij stelt nu recht te hebben op deze verrekende bedragen, met wettelijke rente, en vergoeding van proceskosten.
  5. De Raad overweegt als volgt. 3.
  6. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.
  7. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat geen feiten en omstandigheden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren.
  8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
  9. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) B.H.B. Verheul

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.