193751 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 juli 2019, 18/3115 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college) Datum uitspraak: 8 december 2020 Zitting heeft: mr. P.W. van Straalen Griffier: W.E.M. Maas Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Aydogan. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 9 november 2015 tot en met 7 maart 2016 (de te beoordelen periode). Het college heeft de bijstand ingetrokken omdat niet aannemelijk is dat appellant in deze periode op het uitkeringsadres woonachtig was. Appellant stond sinds 9 november 2015 op dit uitkeringsadres ingeschreven. Op 7 maart 2016 is de meterstand van het water doorgegeven. Dit was dezelfde stand als bij de vorige meting op 17 september
- Er was dus in de periode van 9 november 2015 tot en met 7 maart 2016 in het geheel geen water verbruikt. Appellant stelt weliswaar dat hij niet kan lezen en schrijven en dat de meterstand door zijn dochter niet goed kan zijn doorgegeven, maar hiervoor ontbreekt in de stukken een aanknopingspunt. Niet aannemelijk is dat de stand niet goed is doorgegeven. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat er in de te beoordelen periode geen sprake is geweest van enig waterverbruik. Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986). In het geval van appellant was er op het uitkeringsadres in het geheel geen sprake van waterverbruik. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij – in weerwil van deze vooronderstelling – toch zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellant wijst erop dat het gasverbruik in de te beoordelen periode hoger was dan het gemiddelde verbruik voor een eenpersoonshuishouden. Over de periode van 18 september 2015 tot 1 september 2016 was er een verbruik van 1.289 m³. Dat is normaal voor een eenpersoonshuishouden. Dit betreft echter een langere periode dan de te beoordelen periode. De periode waarin het gasverbruik is gemeten, loopt immers nog een half jaar door na het einde van de te beoordelen periode. Niet duidelijk is wat het verbruik van gas in de te beoordelen periode is geweest en of het gemeten gasverbruik in de periode van 18 september 2015 tot 1 september 2016 niet geheel of vooral heeft plaatsgevonden in de periode vanaf 7 maart
- In dit verband valt op dat in de periode van 1 september 2016 tot en met 3 september 2017, dus het jaar erna, sprake was van een toename van het gasverbruik. Dat lag een jaar later op 2.264 m³. Reeds op grond hiervan biedt het gasverbruik onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat appellant in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres woonachtig was. Bovendien is ook het verbruik van elektra – dat laag was – in de periode na 1 september 2016 sterk toegenomen. Omdat er op grond van het ontbreken van waterverbruik een voldoende grondslag is voor het bestreden besluit, behoeven de gronden die zien op de verklaring van appellant en de waarnemingen geen bespreking. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Voor een kostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) W.E.M. Maas (getekend) P.W. van Straalen