← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:3323

19 1097 WAJONG Datum uitspraak: 23 december 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2019, 17/5313 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november

  1. Namens appellant heeft [A.], zijn moeder, telefonisch deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, geboren [in] 1998, heeft met een door het Uwv op 16 november 2015 ontvangen formulier om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen verzocht. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 11 februari 2016 heeft het Uwv aan appellant een Indicatie banenafspraak toegekend omdat hij arbeidsvermogen heeft maar niet in staat is om het minimumloon te verdienen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 1.
  3. Met een door het Uwv op 14 februari 2017 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen verzocht, waarbij appellant te kennen heeft gegeven dat hij denkt recht te hebben op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Het Uwv heeft deze aanvraag gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van 11 februari
  4. Bij besluit van 28 februari 2017 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat er volgens de verzekeringsarts geen nieuwe medische informatie is ingediend. 1.
  5. Bij besluit van 26 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 28 februari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. 2.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover appellant heeft beoogd dat het Uwv terugkomt van het besluit van 11 februari 2016 heeft de rechtbank onderschreven wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 juli 2017 over de brief van de begeleider van appellant bij De Hoop GGZ van 31 januari 2017 heeft geconcludeerd. Deze brief bevat geen wezenlijk andere gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellant dan waarmee het Uwv bij het nemen van het besluit van 11 februari 2016 al bekend was. Volgens de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 11 februari
  7. 2.
  8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder voldoende gemotiveerd dat de bij de aanvraag meegezonden informatie geen gegevens bevat die ertoe leiden dat na zijn achttiende verjaardag aan appellant een uitkering toegekend moet worden wegens een toename van beperkingen. 2.
  9. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede naar aanleiding van wat appellant in beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, voldoende heeft gemotiveerd dat het besluit van 11 februari 2016 niet onjuist is. Er bestaat volgens de rechtbank geen ruimte om na een belangenafweging voor de toekomst alsnog te komen tot een toekenning van een Wajong-uitkering. 3.
  10. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hem ten onrechte geen Wajong-uitkering is toegekend. Volgens appellant zijn er sinds de vorige aanvraag onderzoeken gedaan waardoor inmiddels meer duidelijkheid bestaat over zijn medische situatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van 27 november 2018 van zijn behandelend reumatoloog ingediend. 3.
  11. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2019, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  12. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  13. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4 en 6 van de aangevallen uitspraak. 4.
  14. Het Uwv heeft overtuigend gemotiveerd dat en waarom het bestreden besluit stand kan houden. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 11 juni 2019 inzichtelijk uiteengezet dat de brief van de behandelend reumatoloog die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, geen ander beeld van de medische situatie van appellant geeft dan het beeld dat al bekend was bij het nemen van het besluit van 11 februari
  15. In de bedoelde brief staat dat er geen afwijkingen zijn gevonden en dat betrokkene tendomyogene klachten heeft, die nu worden geduid als fibromyalgie. Nieuwe inzichten geeft dit niet. Daarmee is ook in zoverre niet gebleken van een aanleiding om terug te komen van het besluit van 11 februari
  16. Evenmin is gebleken van een aanleiding om op grond van de zogeheten duuraansprakenjurisprudentie voor de toekomst tot een ander besluit te komen. Een situatie zoals beschreven in de zogenaamde Amber-bepaling, artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong 2015, is ook niet aan de orde. 4.
  17. Dat appellant geen betaalde baan kan vinden met zijn beperkingen en daardoor het gevoel heeft tussen wal en schip te vallen is op zichzelf niet onbegrijpelijk, maar kan niet tot een ander oordeel leiden. De verzekeringsarts acht appellant met zijn beperkingen niet in staat om een full-time functie uit te oefenen met een normale productie, zonder tempoverlies en na een normale inwerkperiode. Appellant is volgens de verzekeringsarts bovendien aangewezen op permanent toezicht of intensieve begeleiding. Ook het Uwv acht appellant dus niet in staat om een betaalde baan op de reguliere arbeidsmarkt te vinden en heeft hem daarom een Indicatie banenafspraak toegekend. 4.
  18. Uit overweging 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december
  20. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) L.R. Kokhuis

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.