186127 WW Datum uitspraak: 6 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2018, 18/2040 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was werkzaam als [functie] in de rang van [rang] bij het Ministerie van Defensie. Appellant heeft op 1 november 2014 tijdens een voetbalwedstrijd een gecompliceerde beenbreuk opgelopen en is per 1 november 2014 ziek gemeld. Het herplaatsingstraject, waarin appellant als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 met ingang van 1 augustus 2014 was geplaatst, is opgeschort en appellant is ten behoeve van zijn re-integratie geplaatst bij het Dienstencentrum Re-integratie (DCR). 1.2. Bij besluit van 23 mei 2017 heeft de minister van Defensie appellant met ingang van 1 juni 2017 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten (kortweg: plichtsverzuim). 1.3. Bij besluit van 21 september 2017 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard en het verleende ontslag gehandhaafd. Daaraan heeft de minister – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat appellant in de periode februari-maart 2016 vijf keer niet op afspraken met de re-integratiebegeleider is verschenen, dat hij daarvoor is gewaarschuwd en uiteindelijk een loonsanctie heeft gekregen van 10% verlaging gedurende de maanden juni tot september 2016, dat appellant niet of slecht telefonisch bereikbaar was en niet reageerde op ingesproken voicemailberichten, dat op 27 oktober 2016 en 12 december 2016 met hem concrete afspraken zijn gemaakt waaronder het verschijnen bij het bureau Bijzondere Medische Beoordelingen (bureau BMB) voor een medische keuring en dat appellant, nadat hij deze afspraak zelf heeft verzet, op 7 februari 2017 alsnog niet is verschenen. Volgens de minister kan appellant hierdoor verregaande nalatigheid in de nakoming van zijn verplichtingen in het kader van zijn herstel en re-integratie, zoals omschreven in de Nota Herzien Re-integratiebeleid Defensiepersoneel 2007 (Nota), worden verweten en levert dit een ernstige schending van de Gedragscode Defensie op. Bij uitspraak van 21 juni 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:7456) heeft de rechtbank Den Haag het tegen de beslissing op bezwaar van 21 september 2017 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4236) heeft de Raad die uitspraak bevestigd. 1.4. Op 5 december 2017 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.5. Bij besluit van 6 december 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 juni 2017 recht heeft op een WW-uitkering, maar daarbij beslist dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid. 1.6. Bij beslissing op bezwaar van 18 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2017 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar de beslissing op bezwaar van de minister van 21 september 2017 in de ontslagzaak. 2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij het bestreden besluit slechts is verwezen naar de beslissing op bezwaar van de minister van 21 september 2017 en dat een motivering waarom de door appellant in bezwaar aangevoerde gronden in het kader van de heroverweging op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet tot een andere beslissing leiden, ontbreekt. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe heeft zij overwogen dat uit de stukken naar voren komt dat appellant zich in het kader van het re-integratietraject steeds niet aan afspraken heeft gehouden. Appellant is in de periode februari-maart 2016 vijf keer niet op afspraken met de re-integratiebegeleider verschenen. Daarvoor is appellant gewaarschuwd en heeft hij uiteindelijk een loonsanctie gekregen van 10% verlaging gedurende de maanden juni 2016 tot september 2016. Ook hierna heeft appellant zijn gedrag niet gewijzigd; daarom is opnieuw een loonsanctie aan hem opgelegd. Dit heeft evenmin tot een noemenswaardige verandering geleid. Op 27 oktober 2016 en 12 december 2016 zijn verder met appellant concrete afspraken gemaakt, waaronder de afspraak te verschijnen bij het bureau BMB voor een medische keuring. Na een aantal keer de afspraak met BMB te hebben verzet, is appellant alsnog niet op deze keuring verschenen. Ook deze afspraak is appellant dus niet nagekomen. Hierdoor kon er geen beoordeling van zijn geschiktheid voor de militaire dienst plaatsvinden. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze gedragingen terecht heeft aangemerkt als nalatigheid in de vervulling van de re-integratieverplichtingen. Daarbij is volgens de rechtbank niet relevant of de minister spoor 1 of spoor 2 had moeten volgen. Door zijn opstelling heeft appellant het starten van een re-integratietraject in zijn geheel niet mogelijk gemaakt. Daardoor is het niet mogelijk om te beoordelen of de door de minister gezette stappen zouden leiden tot een succesvolle re-integratie. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het in de rede had gelegen dat appellant, wanneer hij van mening was dat de minister verkeerde stappen ondernam, hiervan destijds melding zou hebben gemaakt. Dan had het de minister duidelijk kunnen zijn waarom hij niet wilde meewerken. Hiervan is niet gebleken. Integendeel, appellant heeft op enig moment te kennen gegeven wél te gaan meewerken, maar zich desondanks weer niet aan de gemaakte afspraken gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de aan appellant verweten gedragingen in dit geval een objectief dringende reden voor ontslag. 2.3. Daarnaast lag naar het oordeel van de rechtbank aan de werkloosheid ook subjectief een dringende reden ten grondslag. De persoonlijke omstandigheden van appellant zijn niet zodanig dat er – gelet op de aard en de ernst van de gedraging – geen grond is voor beëindiging van het dienstverband wegens een dringende reden. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate valt te verwijten. Voor zover appellant meent dat zijn gedrag hem niet kan worden verweten omdat de minister naar zijn idee een onjuist re-integratietraject heeft willen starten, leidt dit niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat door toedoen van appellant de re-integratie in het geheel niet is gestart. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant nooit zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt bij de minister. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, in samenhang bezien met artikel 7:678, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). 3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat geen sprake was van verwijtbare werkloosheid, omdat aan de werkloosheid volgens hem geen dringende reden ten grondslag lag. Volgens appellant zijn de omstandigheid dat hij zich niet heeft gehouden aan afspraken in het kader van het re-integratietraject en de omstandigheid dat hij niet op een medische keuring bij het bureau BMB is verschenen onvoldoende om een arbeidsrechtelijke dringende reden aan te nemen, omdat niet is gebleken van bijkomende omstandigheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9549 ( [naam partijen] ). Appellant heeft verder gesteld dat de werkgever een onjuist re-integratietraject is gestart, waarbij ten onrechte niet of nauwelijks de mogelijkheden op re-integratie via spoor 1 (re-integratie bij defensie) zijn bekeken en de werkgever direct is overgestapt op spoor 2 (externe re-integratie). Volgens appellant kan hij, gelet daarop, een juist re-integratietraject niet verstoord hebben. Ter zitting heeft appellant voor de onderbouwing van zijn standpunt over de betekenis van het genoemde arrest van de Hoge Raad verwezen naar het artikel ‘Ontslag op staande voet na schending re‑integratieverplichtingen: mission impossible?’ van J. Dietz en M. Opdam, Arbeidsrecht 2019/14 en naar een aantal in dat artikel genoemde arresten van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en het Gerechtshof Den Haag. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Aangezien de eerste werkloosheidsdag van appellant ná 1 juli 2015 is gelegen, zijn de per die datum gewijzigde artikelen in de WW (en het BW) van toepassing. Daarin was het volgende bepaald. 4.1.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 4.1.2. Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend. 4.2. In de uitspraken van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469 en ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.