18/492 WAO-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2017, 17/3442 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 30 januari 2020 Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen Griffier: M. Graveland Ter zitting zijn verschenen: namens appellant mr. G.A. Soebhag, advocaat, en zijn dochter [naam dochter] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 16 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant en het door hem betaalde griffierecht. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2017, waarin het Uwv heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 28 februari 1996, ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 28 februari 1996 is bij uitspraak van 16 mei 1997 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant om terug te komen van het besluit van 28 februari 1996 heeft afgewezen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de overgelegde medische informatie geen informatie bevat over de zogenoemde Amberperiode. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Noch bij de aanvraag, noch in bezwaar heeft appellant medische stukken ingebracht die zijn aanvraag kunnen onderbouwen. Volgens vaste rechtspraak kunnen bij een verzoek in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb tot en met de bezwaarfase stukken worden ingediend. De stukken die appellant in beroep en hoger beroep heeft ingediend zijn dus te laat ingebracht en kunnen, nog los van de vraag of dat tot een ander oordeel zou leiden, niet geacht worden te liggen in het verlengde van wat al eerder is ingebracht. Voor zover appellant bedoeld heeft een uitkering voor de toekomst aan te vragen, geldt eveneens dat uiterlijk in de bezwaarfase relevante stukken moeten zijn overgelegd. Met betrekking tot de grond van appellant dat hij geen hoger beroep heeft kunnen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 1997 omdat hij toen niet meer in Nederland verbleef, overweegt de Raad dat appellant ook vanuit Marokko hoger beroep had kunnen (laten) instellen. Wat er ook zij van de stelling van appellant dat hij overhaast uit Nederland moest vertrekken, hij verbleef ten tijde van de uitspraak van de rechtbank al weer geruime tijd in Marokko. Waarvan proces-verbaal. De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.