174263 WAJONG Datum uitspraak: 31 december 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2017, 16/4792 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum in] 1988, heeft sinds [geboortedatum in] 2006, haar achttiende verjaardag, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in werking getreden. Bij brief van 15 september 2015 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 22 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de primaire beoordeling onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de taak ‘Vouwen was’ laten vervallen en de taak ‘Strijken’ daarvoor in de plaats gesteld. 2.1. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de taak ‘Strijken’ laten vervallen en ‘Scannen’ als nieuwe taak geselecteerd. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de wetgever bij de invoering van de Participatiewet nadrukkelijk de bedoeling heeft gehad het arbeidsvermogen niet langer uit te drukken in een arbeidsongeschiktheidspercentage. Daarmee is geen sprake meer van een vergelijking van maatmanloon en verdiencapaciteit en is het neerleggen van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet langer aan de orde. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv voor de beoordeling van het arbeidsvermogen van Wajonggerechtigden de methode ‘Sociaal Medische Beoordeling van Arbeidsvermogen’ (SMBA) heeft ontwikkeld. Verder wordt door de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) gehanteerd. Het Compendium is door de rechtbank gekwalificeerd als vaste gedragslijn die is neergelegd in een interne werkinstructie. De rechtbank heeft het onderzoek door het Uwv zorgvuldig geacht. 2.3. In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden. Appellante wordt geacht vier uur per dag en één uur aaneengesloten te kunnen werken. Daarmee is voldoende rekening gehouden met de problematiek van appellante. Verder is niet in geschil dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikt en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Omdat het Uwv in beroep de eerder geselecteerde taak ‘Strijken’ heeft laten vervallen en die van ‘Scannen’ daarvoor in de plaats heeft gesteld heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde beluit in stand gelaten. Verder zijn beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het in strijd is met de wet en het rechtszekerheidsbeginsel dat de beoordeling van het arbeidsvermogen van appellante niet is gedaan aan de hand van het Claim- Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Het Uwv heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de methode SMBA. Het SMBA is volgens appellante niet transparant, verifieerbaar en controleerbaar. Het is onduidelijk welke taken er in de takenbank zitten, wat de taakbeschrijving is en waaraan is getoetst. Het Uwv heeft ten onrechte aangenomen dat appellante over arbeidsvermogen beschikt. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op 1 januari 2015 is artikel III, met uitzondering van de onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast (Besluit van 8 oktober 2014, Stb. 2014, 359). Op grond van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 3:8a aan de Wajong toegevoegd. Op grond van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd. 4.1.2. Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8 van de Wajong. 4.1.3. Artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt. 4.1.4. Op 1 januari 2018 is artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. 4.1.5. In afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het derde lid wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. 4.1.6. Voorgaande wetsbepalingen hebben tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 diende te worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon, indien zij op die datum mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. 4.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.