24/585 ZW Datum uitspraak: 3 september 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2024, 22/6222 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 27 mei 2021 tot en met 20 maart 2022 tot een bedrag van € 33.559,49 bruto, omdat hij niet als werknemer was verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B. Temeltasch, advocaat, hoger beroep ingesteld en opvolgend gemachtigde mr. N. van Bremen, advocaat, heeft de hoger beroepsgronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 juni
- Voor appellant is mr. Van Bremen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet. OVERWEGINGEN Inleiding
- Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.
- Op 19 mei 2021 is appellant bij een ongeval op zijn werk als steigerbouwer gewond geraakt. Hij is ziekgemeld per 25 mei
- Appellant ontving vanaf 27 mei 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). 1.
- Naar aanleiding van een interne melding heeft het Uwv onderzoek verricht naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant bij [naam B.V. 1] ( [naam B.V. 1] ), het dienstverband waaraan appellant zijn recht op de ZW-uitkering ontleende. Het Uwv heeft onder meer Suwinet en de Uwv-systemen geraadpleegd, informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel (KvK) en de Belastingdienst, bankafschriften opgevraagd, gesproken met de eigenaar van [naam B.V. 1] en met de managing director van [naam B.V. 2] ( [naam B.V. 2] ), de inlener waarbij appellant de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Daarnaast hebben twee themaonderzoekers van het Uwv op 13 oktober 2021 een gesprek gevoerd met appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 18 maart
- 1.
- Bij besluit van 21 maart 2022 (besluit 1) heeft het Uwv de uitbetaling van de ZWuitkering aan appellant stopgezet, in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende ZW-uitkering. 1.
- Bij besluit van 19 april 2022 (besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant niet verzekerd is voor de ZW en dat hij daarom geen ZW-uitkering kan krijgen. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde van zijn ziekmelding per 25 mei 2021 niet in een dienstbetrekking werkzaam was. 1.
- Bij besluit van 20 april 2022 (besluit 3) heeft het Uwv de ten onrechte betaalde ZWuitkering over de periode van 27 mei 2021 tot en met 20 maart 2022 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 33.559,45 bruto. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 15 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat hij niet als verzekerde in de zin van de ZW is aan te merken. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat tussen appellant en [naam B.V. 1] geen gezagsverhouding bestond, zodat om die reden geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant is er volgens het Uwv niet in geslaagd een onderbouwing te geven voor zijn stelling dat de bevindingen uit het onderzoek onjuist zijn en heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat wel sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en [naam B.V. 1] . Uitspraak van de rechtbank
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.
- De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met het onderzoeksrapport van 18 maart 2022 aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [naam B.V. 1] . Uit het onderzoek is gebleken dat appellant van 23 oktober 2009 tot 1 januari 2020 als zelfstandige stond ingeschreven bij de KvK met een eenmanszaak. Vanaf 1 januari 2020 staat appellant als zelfstandige ingeschreven met de onderneming [naam onderneming v.o.f.] ( [naam onderneming v.o.f.] ), aan welke onderneming ook zijn zoon als vennoot is verbonden. 2.
- Appellant heeft na 26 april 2021 vanuit [naam onderneming v.o.f.] betalingen ontvangen en hij heeft ook bedragen vanaf zijn privérekening naar [naam onderneming v.o.f.] overgemaakt, wat veronderstelt dat appellant binnen deze onderneming actief was. Over de periode van 26 april 2021 tot en met 14 mei 2021 zijn vanuit [naam onderneming v.o.f.] drie facturen opgemaakt en verstuurd aan [naam B.V. 2] . Dit terwijl appellant in de periode van 26 april 2021 tot en met 23 mei 2021 bij [naam B.V. 1] zou hebben gewerkt. De laatste factuur is gedateerd 21 mei 2021, wat na de datum van het ongeval, 19 mei 2021, was. Uit het onderzoek blijkt verder dat de verklaringen over deze facturering elkaar tegenspreken. Namens [naam B.V. 1] is verklaard dat het versturen van de facturen bij de administratie van [naam B.V. 1] verkeerd is gegaan, omdat zij niet wisten dat appellant niet meer als zelfstandige maar in loondienst werkzaam was. De betreffende drie facturen waren echter niet afkomstig van [naam B.V. 1] , maar van appellant zelf, verzonden vanuit [naam onderneming v.o.f.] . In het onderzoeksrapport is verder vastgesteld dat de facturen die zien op de periode van 26 april 2021 tot en met 16 mei 2021 later, na de datum van het ongeval, zijn gecrediteerd. 2.
- Appellant heeft tijdens het gesprek op 13 oktober 2021 als reden voor het in diensttreden bij [naam B.V. 1] opgegeven dat hij op die wijze meer zou verdienen dan als hij direct bij [naam B.V. 2] in dienst zou treden. Appellant heeft daarbij aangegeven dat [naam B.V. 2] het uurtarief van € 27,50€ 28,- niet wilde verhogen, waarop hij in dienst is gegaan bij [naam B.V. 1] . In de detacheringsovereenkomst met [naam B.V. 1] staat echter een lager uurloon van € 17,60 opgenomen. Verder volgt uit de stukken dat [naam B.V. 1] aan [naam B.V. 2] een uurloon van € 32,50 in rekening brengt. Deze feitelijke gang van zaken staat volgens de rechtbank haaks op wat appellant hierover heeft gesteld. Appellant heeft vervolgens via diverse verhogende toeslagen een aanzienlijk hoger bedrag ontvangen, waarbij het volgens zijn eigen mededeling zou gaan om een salaris van € 2.900,- netto per maand, wat volgens het Uwv zou leiden tot een zeer hoog dagloon. 2.
- Tegenover deze onderzoeksbevindingen heeft appellant van zijn kant slechts algemene gronden aangevoerd, zonder deze nader te concretiseren. Appellant heeft daarmee geen tegenbewijs, berustend op objectiveerbare en verifieerbare gegevens, aangeleverd op grond waarvan aannemelijk zou moeten worden geacht dat de conclusie van het Uwv onjuist is. Het standpunt van appellant 3.
- Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft hij aangevoerd dat uit de rechtspraak volgt dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet één element beslissend is, maar dat de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband moeten worden bezien. Volgens appellant hebben de rechtbank en het Uwv deze omstandigheden op geen enkele wijze in hun beoordeling betrokken. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij het verslag van het gesprek op 13 oktober 2021 niet zelf heeft ondertekend, maar dat de tolk dit heeft gedaan en dat hem de tekst ook niet is voorgehouden. Hierdoor staan er onjuistheden in het verslag. Appellant heeft er tot slot op gewezen dat de directeur van [naam B.V. 1] , een operations manager van [naam B.V. 2] en de boekhouder van appellant hebben verklaard dat hij bij [naam B.V. 1] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst. Het standpunt van het Uwv 3.
- Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad
- De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit met betrekking tot de stopzetting, intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat dit zo is en dat het hoger beroep niet slaagt. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op basis van de onderzoeksbevindingen uit het rapport van 18 maart 2022 terecht heeft geconcludeerd dat tussen appellant en [naam B.V. 1] geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen tegenbewijs heeft aangeleverd op grond waarvan aannemelijk zou moeten worden geacht dat de conclusie die het Uwv uit het onderzoeksrapport heeft getrokken onjuist is. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant, net als in beroep, zijn stellingen in hoger beroep niet heeft onderbouwd. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat het gespreksverslag van 13 oktober 2021 door de tolk voor akkoord is getekend, zonder dat dit is vertaald en voorgehouden aan appellant en dat appellant ook niet heeft getekend voor de inhoud ervan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat appellant dit voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, blijkt uit het gespreksverslag dat appellant wel zelf heeft getekend en dat zijn handtekening duidelijk verschilt van die van de tolk. Verder staat op iedere pagina van het gespreksverslag een handtekening die overeenkomt met de handtekening die onder het kopje “handtekening werknemer” is geplaatst in de detacheringsovereenkomst tussen [naam B.V. 1] en appellant. Dat het gespreksverslag geen juiste weergave zou zijn van wat appellant heeft bedoeld te zeggen, heeft appellant verder niet onderbouwd. 4.
- Over de stelling dat verschillende betrokkenen hebben verklaard dat appellant bij [naam B.V. 1] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst overweegt de Raad als volgt. Die verklaringen, en ook andere verklaringen van deze betrokkenen, komen niet overeen met de feitelijk gang van zaken zoals die blijkt uit het handhavingsrapport van 18 maart
- De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv meer gewicht mocht toekennen aan de bevindingen uit het handhavingsrapport, die erop wijzen dat een dienstverband bij [naam B.V. 1] is gefingeerd zodat appellant op die manier voor het ongeval van 19 mei 2021 aanspraak zou kunnen maken op een ZW-uitkering. Conclusie en gevolgen
- Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de besluiten tot stopzetting, intrekking en terugvordering van de ZW in stand blijven.
- Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september
- (getekend) E.J.J.M. Weyers De griffier is verhinderd te ondertekenen. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’sGravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer en dienstbetrekking.