185302 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2018, 18/290 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college) Datum uitspraak: 20 februari 2020 Zitting hebben: J.N.A. Bootsma als voorzitter en M.F. Wagner en E.C.G. Okhuizen als leden. Griffier: I.A. Siskina. Ter zitting zijn verschenen: namens appellant mr. J.A.C. van Etten en namens het college drs. A.J.M. Schakenraad. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellant ontvangt sinds 10 september 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Tot 10 september 2016 verrichtte appellant werkzaamheden in loondienst, van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 voor X, van 1 juli 2016 tot en met 9 september 2016 voor Y en van 7 december 2016 tot en met 31 december 2016 voor Z. Het college heeft over de in 2016 verstrekte bijstand van € 3.240,- afgerond € 494,- aan loonheffingen ingehouden (€ 1.184,56 loonheffing minus € 691,27 loonheffingskorting). Daarbij is het college uitgegaan van een loonheffingskorting van € 2.242,- per jaar (€ 186,83 per maand). Over de maand september 2016 heeft het college de loonheffingskorting tijdsevenredig berekend. Bij de aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2016 is de algemene heffingskorting vastgesteld op € 1.591,-. Na verrekening van al geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en eerder verleende voorlopige teruggaven, resulteerde de aanslag in een teruggave van € 1.858,-. Appellant heeft deze teruggave in 2017 ontvangen. Partijen verschillen van mening over de vraag of appellant recht heeft op aanvullende bijstand doordat over 2016 bij de loonheffing rekening is gehouden met een loonheffingskorting van € 186,83 per maand en niet van € 132,58 per maand (€ 1.591,- : 12). Het college is bij de inhouding en afdracht van loonheffingen uitgegaan van het Rekenvoorschrift loonheffingen voor uitkeringen op grond van de Participatiewet. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte alleen de zogenoemde fase-1 berekening en niet de zogenoemde fase 2-berekening heeft uitgevoerd als voorzien in par 3.2 van het Rekenvoorschrift en dat hij daardoor uiteindelijk minder bijstand heeft ontvangen dan de voor hem geldende norm. Dat standpunt is niet juist. Appellant heeft steeds de bijstandsnorm ontvangen. De belastingteruggave is een middel in de zin van artikel 31 van de PW. Uit artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW volgt dat de belastingteruggave niet valt onder de hierin neergelegde uitzondering en daarom behoort tot de voor bijstandsverlening in aanmerking te nemen middelen. Vergelijk de uitspraak van 15 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2384), die na de invoering van de PW onverkort van toepassing is. Zoals de Raad in die uitspraak heeft overwogen, moet inkomen uit een belastingteruggave worden toegerekend aan de periode waarop de teruggave betrekking heeft. Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:743. Als gevolg van de lager vastgestelde algemene heffingskorting is het bedrag van de belastingteruggave dat als middel met de bijstand moet worden verrekend ook lager. Het verschil is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de algemene heffingskorting waarmee bij de inhouding en afdracht van de loonheffingen rekening is gehouden en de uiteindelijk vastgestelde algemene heffingskorting. Appellant heeft dus per saldo geen nadeel geleden. Hij heeft daarom geen procesbelang. Het nadeel dat appellant stelt te hebben geleden, doordat in 2016 minder loonheffing is ingehouden en afgedragen, zou worden weggenomen door de verrekening van de belastingteruggave met de bijstand. Dat strookt met het netto-karakter van de bijstand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) I.A. Siskina (getekend) J.N.A. Bootsma
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.