18758 WMO15 Datum uitspraak: 26 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2017, 17/2012 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) CAK PROCESVERLOOP Namens appellante heeft J.H. Veldhoven hoger beroep ingesteld. CAK heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december
- Appellante is niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kozanhan. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante is, voor zover hier van belang, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor het jaar 2017 in aanmerking gebracht voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen. Voor deze maatwerkvoorziening moet appellante een bijdrage betalen. 1.
- Bij besluit van 16 januari 2017 heeft CAK de hoogte van de bijdrage voor het jaar 2017 vastgesteld op € 684,65 per kalendermaand. 1.
- Bij besluit van 10 april 2017 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 januari 2017 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat CAK de bijdrage in overeenstemming met het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 heeft vastgesteld en dat hiervan niet mag worden afgeweken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat CAK terecht is uitgegaan van de inkomensgegevens die worden aangeleverd en dat CAK niet zelf het inkomen kan vaststellen. Daarnaast heeft CAK de bijdrage van appellante op de juiste manier vastgesteld.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de jonggehandicaptenkorting die zij ontvangt, door de berekening van CAK, ten onrechte wordt meegenomen bij het vaststellen van de bijdrage. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de extra vrijlating moet worden berekend over het bedrag inclusief de 8% bijtelling van haar vermogen. Overigens is het volgens appellante onredelijk en niet proportioneel om uit te gaan van een bijtelling van 8%. Appellante heeft een bedrag van € 9.472,50 gevorderd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door CAK. 4.
- CAK dient de bijdrage van appellante vast te stellen op grond van artikel 3.11 en verder van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Uitvoeringsbesluit). De bepalingen van het Uitvoeringsbesluit zijn dwingendrechtelijk van aard. Zo schrijft artikel 3.13 van het Uitvoeringsbesluit dwingend voor op welke wijze het bijdrageplichtig inkomen wordt berekend. Het Uitvoeringsbesluit bevat geen hardheidsclausule of coulanceregeling. Dit betekent dat de bepalingen in het Uitvoeringsbesluit CAK geen ruimte bieden om de jonggehandicaptenkorting in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. Verder volgt uit artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsbesluit dat bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen de extra vrijlatingen worden berekend over het inkomen zonder dat dit is vermeerderd met 8% van het vermogen. Wat appellante heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om hiervan af te wijken. 4.
- De bijdrage is op de juiste manier, in overeenstemming met het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit vastgesteld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat CAK de bijdrage op de voorgeschreven wijze heeft berekend. 4.
- Uit wat bij 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Voor het geval appellante heeft bedoeld te verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade zal dit worden afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari
- (getekend) D.S. de Vries (getekend) C.I. Heijkoop