← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:518

183720 NIOAZ-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 13 juni 2018, 18/213 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 25 februari 2020 Zitting heeft: J.L. Boxum Griffier: J.B. Beerens Namens appellante is verschenen mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Het college heeft aan appellante een IOAZ-uitkering toegekend per 22 juni 2017 op de grond dat het bedrijf van appellante op die datum is beëindigd door uitschrijving bij de Kamer van Koophandel.
  2. Appellante heeft aangevoerd dat haar bedrijf al op de datum dat zij zich meldde voor de uitkering, 22 februari 2017, is beëindigd. Zij wenst dan ook een IOAZ-uitkering per 22 februari 2017, dan wel 3 april 2017, de datum van haar aanvraag.
  3. Voor een eerdere ingangsdatum van de IOAZ-uitkering bestaat echter geen grond. Hoofdregel is dat een IOAZ-uitkering wordt toegekend per de datum van de melding, maar niet eerder dan de datum waarop het bedrijf is beëindigd. Het is daarbij aan de aanvrager om aan te tonen dat het bedrijf daadwerkelijk is beëindigd. Appellante heeft niet aangetoond dat zij eerder dan de datum waarop haar bedrijf is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel op 22 juni 2017, haar bedrijf heeft beëindigd. De enkele omstandigheid dat appellante na 22 februari 2017 geen inkomsten meer had uit haar bedrijf, is daarvoor onvoldoende. Overigens blijkt uit de gedingstukken niet van een eerdere bedrijfsbeëindiging. Zo heeft appellante pas met ingang van 1 juli 2017 de huur van haar bedrijfspand opgezegd, heeft zij op 9 juli 2017 haar zakelijke internetabonnement opgezegd en is zij pas vanaf 1 juli 2017 bij de Belastingdienst uitgeschreven als ondernemer voor de BTW.
  4. Het beroep van appellante op de uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1299, slaagt evenmin. In deze uitspraak ging het om de vraag of er bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigden dat niet moest worden uitgegaan van de meldingsdatum, omdat al eerder actie in de richting van het bestuursorgaan was ondernomen die tot het eerder innemen van de aanvraag had moeten leiden. Dat is in dit geschil, waarin het gaat om de vraag op welke datum het bedrijf is beëindigd, niet aan de orde.
  5. Het hoger beroep slaagt niet. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de ingangsdatum van de IOAZ-uitkering terecht heeft vastgesteld op 22 juni
  6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J.B. Beerens (getekend) J.L. Boxum

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.