184154 WSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 juli 2018, 17/6492 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 5 februari 2020 Zitting heeft: mr. J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: E.D. de Jong Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. T.P. Boer, advocaat, en drs. P.M.S. Slagter (namens de minister) BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- De minister heeft aan appellant in het verleden studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekend. Een deel daarvan moest door appellant vanaf januari 2007 worden terugbetaald. Van de maandelijks te betalen termijnen en van de restschuld is appellant jaarlijks op de hoogte gebracht. Op 31 oktober 2017 heeft de minister appellant een bericht gezonden waarop als openstaande restantschuld per 1 januari 2018 een bedrag van € 4.407,50 is vermeld. 2.
- Appellant heeft zich er in bezwaar tegen dat besluit, onder overlegging van een proces‑verbaal van een rechtbankzitting van 9 juni 2016, op beroepen dat hem in 2016 in het kader van een procedure over (kwijtschelding van) zijn studieschuld is meegedeeld dat zijn studieschuld op dat moment ongeveer € 250,- bedroeg. 2.
- De minister heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 1 december 2017 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit waartegen beroep openstaat.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Wat appellant in hoger beroep, net als in bezwaar en beroep, naar voren heeft gebracht, komt er in de kern op neer dat hij aan het proces-verbaal, dat is opgemaakt van de behandeling ter zitting op 9 juni 2016 van een in 2014 ingesteld beroep, het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat zijn totale studieschuld op dat moment ongeveer € 250,- bedroeg en dat het bericht van 31 oktober 2017 dus een gewijzigd en onjuist schuldbedrag vermeldt.
- Het bericht van 31 oktober 2017 is, behoudens de opgelopen rente, niet een besluit waarmee de al eerder vastgestelde studieschuld van appellant is gewijzigd. Dat is ook niet het geval ten opzichte van de schuld van € 250,- waarover op 9 juni 2016 ter zitting van de rechtbank is gesproken, omdat deze schuld geen betrekking heeft op de totale studieschuld van appellant op dat moment, maar op een achterstallige schuld van begin
- Van een gewekt vertrouwen ten aanzien van de omvang van de totale schuld kan dan ook geen sprake zijn. Uit het proces-verbaal van die zitting kan, gegeven de context van het aldaar verhandelde, ook niet iets anders worden afgeleid. Dat betekent dat het bericht van 31 oktober 2017 geen wijziging van het schuldbedrag behelst en dat tegen dit bericht geen beroep kan worden ingesteld en dus ook geen bezwaar kan worden gemaakt. De rechtbank heeft dat met juistheid overwogen en het beroep terecht ongegrond verklaard. Daaruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) E.D. de Jong (getekend) J. Brand